Zutphens Zilver

1789-1812

In het Stedelijk Museum te Zutphen zijn een mergboor en een theekistje van de hand van Willem Bessem te bezichtigen. Dit ovale theekistje heeft een gefileerde rand rondom het scharnierende deksel en onder aan de voet. Het deksel is verdiept in het midden. Van de hand van Willem van Bessem zijn een pillendoosje en een Breilepel bekend. Beiden in bezit van het Museum Arnhem.

Willem Bessem is geboren te Zutphen in 1756 als zoon van Harmen Bessem en Aleida Catharina Teerink. Hij trouwde daar op 12 juli 1789 met Charlotte Gijsberdina Boeseken. Zijn tweede huwelijk vond plaats te Ruurlo op 1 september 1817 met Maria van Eerten. In 1789–1800 wordt hij vermeld als werkmeester in zilver en als kashouder te Zutphen, waar hij als zodanig vanaf 1787 werkzaam was. In 1807 wordt hij door de landdrost tot keurmeester benoemd. In 1810 wordt hij nogmaals vermeld als kashouder. Willem overlijdt te Zutphen in 1831.

Theekistje gemaakt door Willem Bessem Theekistje van de hand van Willem Bessem in het Stedelijk Museum te Zutphen.

 

Een held !

1858

Op 5 maart is de vissersschuit van Jan en Jacob Moens op hun tocht van Urk naar Elburg vastgelopen in het ijs. 's Ochtends op 6 maart kwamen ze bij Schokland, doch door 'wind en sneeuwjagt dreven zij af tot onder den Ketel op het Zand'. Toegesnelde Schokkers eisen dat de vangst over boord wordt gezet (hier geldt de eeuwige strijd tussen schokkers en urkers om de vis), maar bieden uiteindelijk geen hulp. De Schokkers verklaren zelfs tegen landbouwer Prins van het Kampereiland dat redding niet nodig is, want proviand is er voldoende en er is geen gevaar.

Op 10 maart worden onder barre omstandigheden de beide vissers Moens en hun knechten alsnog gered door Aalt Jans Prins en zijn knecht Jan Sneeloper.

bron: Westera, 1995.

 

Een held ?

1943

In de Tweede Wereldoorlog ontspoort op 26 maart een trein ter hoogte van de brug over de Vecht tussen Zwolle en Dalfsen. De trein zit vol met Duitse soldaten en natuurlijk wordt gedacht aan een aanslag. Alle instanties starten een onderzoek, variërend van de toenmalige spoorwegpolitie tot de SD. Het is een komen en gaan van opsporingsambtenaren ten Huize van Derk van de Wetering. Derk zelf staat doodsangsten uit en ligt dagen ziek op bed. Derk is geen lieverdje, maar voor dit soort daden heeft hij het lef niet.

Wat blijkt? In de oorlog combineert Derk overdag en 's nachts meerdere baantjes. Deze nacht is hij wisselwachter. Ten tijde van het ongeluk wordt aan de spoorbrug gewerkt en alle treinen worden over één spoor geleid. Door vermoeidheid valt Derk in slaap en vergeet de wissel over te zetten. Vanwege de lage snelheid loopt de trein (slechts) uit het spoor en er vallen geen gewonden. Ongelukkigerwijs zit de trein vol met Duitse verlofgangers en daarom wordt de zaak hoog opgenomen. Derk wordt slechts licht bestraft voor plichtsverzuim.

bron: Mondelinge overlevering en Spoorwegarchief, Utrecht

 

Gestorven voor het vaderland

1940

Nederland raakt bij de Tweede Wereldoorlog betrokken op 10 mei 1940 als Duitsland binnenvalt. De IJssellinie is snel genomen en in de middag bereiken de Duitse troepen al Wageningen. Op 11 mei begint de slag om de Grebbelinie.

Op 11 mei om 8:00 uur beginnen de Duitsers aan hun beschietingen op de voorposten en de Grebbeberg zelf. De voorposten aan de noordkant bezwijken voor 12:00 uur waarna de Duitsers met een omtrekkende beweging de zuidelijke voorposten in de rug aanvallen. Sergeant Jan Mulder, geboren 12 november 1917 te Bussum en kleinzoon van Jan Mulder (1865), behoort tot de 1e Compagnie van het 3e Bataljon 8e Regiment Infanterie (1-III-8 R.I.) en is gelegen in de voorpostenstrook Zuid-van-de-straatweg. De rode vlek in deze kaart.

Uit de verklaring van soldaat A.H. Könning: Sergeant Mulder was onze groepscommandant. Die is gesneuveld. Zaterdagmiddag ca. 14.00 uur zagen we de Duitschers vóór ons naderen. Plusminus na tien minuten stonden ook een man of zeven achter op de stelling [...] Zij schoten in de stelling [...] Ik ben de eenige overlevende [...] en toen de Duitschers weg waren ben ik nog door de stelling gekropen, maar alle soldaten waren dood.

Op 17 mei worden de stoffelijke overschotten van Sergeant Jan Mulder en de soldaten Albert Heinrich van de Poll en Antonie Hijmen Mol gevonden in de eerste Noordelijke stelling van de Grebbedijk bij de boerderij Middelkoop (de stelling rechtsboven in de rode vlek). Dezelfde dag nog worden ze begraven in het 4e Hollandse graf.

bron: de Slag om de Grebbeberg

Militair Ereveld Grebbeberg, graf sergeant Jan Mulder

 

Oorlogslachtoffer in vredestijd

1945

Kort na de capitulatie van Duitsland op woensdag 9 mei maakt een zware explosie op de Eems een eind aan het leven van Hendrik Boer, zoon van Jantjen van der Stouwe.

Eind 1943 of begin 1944 is hij vanuit Kamp Amersfoort aangewezen voor transport naar Saarbrucken. Dit transport heeft nooit plaats gevonden. Een paar maanden later wordt hij aangewezen voor transport naar Wilhelmshaven en wordt tewerkgesteld bij Organisation Todt op het waddeneiland Wangerooge. De omstandigheden zijn hard. De arbeid bestaat uit het bouwen van bunkers en een kustbatterij ter voorkoming van de dagelijkse geallieerde luchtaanvallen op het vaste land.

In april 1945 wordt nog een bommenlast boven het eiland gelost. Onder de onbeschermde dwangarbeiders vallen veel slachtoffers. Spoedig daarop volgt de bevrijding van Noord-Duitsland. Op de Duitse eilanden blijft de situatie echter als vanouds. De Canadezen hebben geen haast het gezag over deze geïsoleerde eilanden over te nemen. Op het gehavende Wangerooge (6.000 bomkraters) zoeken de Nederlandse dwangarbeiders een manier om terug te keren. In de haven ligt een aantal schepen waarmee een groot contingent dwangarbeiders naar Nederland vertrekt.

Een van deze schepen is de 'Joanna'. Op 9 mei om 13:30 uur, in het zicht van Delfzijl, loopt het schip op een zeemijn, met rampzalige gevolgen. Circa veertig personen vinden de dood, waaronder dus Hendrik Boer. Slechts zes personen overleven de ramp.

bronnen: Beukema, H. 1998. en Nieuwsblad van het Noorden, 6 april 1985.

Monument ter ere van de slachtoffers van de Joanna op 9 mei 1945 Op 9 mei 1945 liep het ms 'Johanna' met uit Duitsland terugkerende Nederlandse dwangarbeiders in het zicht van de haven op een mijn. Ter nagedachtenis van de oorlogsslachtoffers.

 

En ook op Wangerooge

Op 25 april 1945 stijgen om 14:30 uur vanuit Zuidoost-Engeland 482 bommenwerpers op voor een (de) laatste grote luchtaanval op Duitsland. De vliegtuigen hebben 2.176 ton aan bommen aan boord. Om 17:00 uur vallen de eerste bommen op Wangerooge. Onder de 273 slachtoffers zijn 121 dwangarbeiders. Van deze laatste hebben er 48 de Nederlandse nationaliteit.

Deze dag overlijdt ook Hendrik Beugelaar op Wangerooge. Hij is een zoon van Aart Beugelaar en Stijntje Mulder. Via Kamp Amersfoort is hij op Wangerooge terecht gekomen.

bron: Luchtaanval op Wangerooge

Wangeroog Het huidige vliegveld Wangeroog (Dld) met hangers [1] en rechts hiervan de vliegtuigen, [3] de officierswoning en [2] de locatie van de voormalige barakken waar de beide Hendriks en de overige nederlandse dwangarbeiders waren gehuisvest.

 

Verzetsheld in Bussum

Twee mannen uit verschillende delen van Nederland in één kwartierstaat, komen in hetzelfde werkkamp terecht. Hebben zij elkaar enig moment ontmoet? Dat moet haast wel. Ze worden beiden genoemd op de transportlijst van 15 juni 1944. Een transport van Kamp Amersfoort naar Wilhelmshaven met als eindbestemming Wangerooge. Het is een strafkamp voor dwangarbeiders die beschuldigd worden van sabotage, werkweigering of onderduiken. Maar waarom zijn ze opgepakt?

Hendrik Boer zit bij familie ondergedoken in de Mastenbroekerpolder. In december 1943 is hij met de fiets onderweg voor een boodschap. Bij een controle, waarschijnlijk aan de provinciale weg bij Bergklooster te Zwolle, wordt hij gearresteerd en overgebracht naar Kamp Amersfoort.

Hendrik Beugelaar woont in Bussum en verleent hulp bij het doorleveren van distributiezegels en valse persoonsbewijzen aan onderduikers. In Bussum zijn ongeveer tien grote en kleine verzetsgroepen actief, maar Hendrik maakt hiervan geen deel uit. Op min of meer individuele wijze pleegt hij verzet en blijft waarschijnlijk daardoor lange tijd uit beeld. Door verraad wordt hij op 4 mei 1944 opgepakt en overgebracht naar het Gestapo hoofdkwartier aan de Euterpestraat (tegenwoordig Gerrit van der Veenstraat) te Amsterdam. Een locatie die bekend staat om zijn zware verhoor- en martelpraktijken. Tot 30 mei 1944 heeft Hendrik hier gezeten en zijn vrouw meldt dat hij in die periode, eufemistisch gezegd, 'zwaar ziek' is geweest. Na Amsterdam komt hij terecht in Kamp Amersfoort. Overigens is een half jaar later, op 26 november, op verzoek van het verzet zelf het hoofdkwartier doelwit van een bombardement van de RAF.

Hoe het met Hendrik Boer en Hendrik Beugelaar is afgelopen, heeft u hierboven kunnen lezen.

Wangeroog De transportlijst van Kamp Amersfoort van 15 juni 1944 met de namen van Hendrik Boer en Hendrik Beugelaar. (Bron: Nationaal Monument Kamp Amersfoort)

Oral history

Oral history is een globaal geheugen waarin geen plaats is voor details. Vaak veranderen details in de tijd. Afgezien van de hoofdlijn, is dit collectieve geheugen niet erg betrouwbaar. Jammer is dat ook officiële websites ruimte geven aan 'verbuigingen' van de geschiedenis. Dit is wat wij weten en de archieven ondersteunen dit.

  • In 1928 wordt Hendrik Beugelaar geschikt geacht voor militaire dienst, maar wordt buitengewoon dienstlichtig verklaard omdat hij kostwinner voor zijn gezin is. Daarmee heeft hij niet zijn burgerplicht proberen te ontlopen, want daaraan heeft hij nadien ruimschoots voldaan. Na de oorlog ijvert zijn vrouw voor erkenning van de daden van haar man. In 1983 is hij postuum geëerd met het verzetsherdenkingskruis.
  • Over Hendrik Boer maken websites als oorlogsgravenstichting.nl en stolpersteine-kampen.nl melding dat hij lid zou zijn geweest van het verzet. Natuurlijk is het mogelijk, maar dat heeft hij dan goed ver­borgen weten te houden want in de archieven is hierover niets te vinden. Als overlevering binnen mijn familie is slechts bekend dat hij door de Duitsers is opgepakt vanwege zich onttrekken aan de arbeids­inzet.
  • Over Aart Schilder hebben we het nog niet gehad. Hij is een kleinzoon van Jantje van der Stouwe. Volgens stolpersteine-kampen.nl is hij bij een woordenwisseling neergeschoten door een lid van de Hitler-Jugend. Onze interpretatie van de archiefstukken is dat dat hij op 26 januari 1945 bij Berlijn-Charlottenburg in de trein door een verdwaalde kogel (van buiten de trein) in de buik is geraakt. Aart is uiteindelijk aan interne bloedingen overleden.

 

Dienen onder Napoleon

1811 - 1813

Met de invoering van de dienstplicht roept Napoleon elke nieuwe lichting rekruten op vanaf hun 20e levensjaar. Jongemannen uit diverse delen van mijn stamboom leveren verplicht hun deel zoals uit onderstaande blijkt.

Hendrik Frijlink

Hendrik Frijlink, geboren 21 maart 1789 te IJsselmuiden, is een achterneef van Matje van 't Oever en van Magteltje Horst en verre familie van Hendrikje Willems van Bruggen.

In 1809 komt Hendrik in aanmerking voor de dienstplicht, maar hij wordt pas in 1811 daadwerkelijk opgeroepen. Met stamboeknummer 3361 komt hij terecht in het 124e Regiment Infanterie van Linie, 5e bataljon, 1e compagnie. Een Nederlands regiment met als standplaats Abbéville in Noord-Frankrijk. Hij komt op 6 november 1811 aan in de kazerne. Waarschijnlijk begint hier slechts zijn training, want op 12 januari 1812 wordt hij overgeplaatst naar het honderd kilometer verderop gelegen 9e Regiment te Voet met als standplaats Douai (Dowaai) op de grens met het huidige België.

Hendrik heeft deelgenomen aan de oorlog tegen Rusland. De laatste brief aan zijn ouders is afkomstig 'van de kusten van de Oostzee, den boorden van de Elbe aan het begin van de oorlog' (Van de Wetering, 2001, blz 184). Eind 1814 wordt hij door de burgemeester van Wilsum als vermist opgegeven.

Probleem is dat de Elbe niet in de Oostzee uitmondt, maar bij Hamburg in de Noordzee. De onbekende datum en de tegenstrijdige locatiebeschrijving, maakt dat de brief op drie momenten kan zijn geschreven.

  • De meest waarschijnlijke optie is dat Hendrik de brief aan zijn ouders schreef rond 22 juni. Op 12 juni begint Napoleon aan de mars naar Moskou en op 13 augustus trekt hij 2800 kilometer verder de Dnepr over. De Elbe is op ongeveer een derde van deze afstand gelegen. Daarna volgt een lange tocht en verschillende veldslagen. Mocht Hendrik dit overleven, dan had hij omstreeks 14 september (Napoleon trekt dan Moskou binnen) een nieuwe brief aan zijn ouders kunnen schrijven.
  • Een tweede optie is dat Hendrik december 1812 in Koningsbergen aan de Oostzee de brief aan zijn ouders schreef. Hij is dan één van de weinige overlevenden van de barre terugtocht via Vilnius naar het huidige Kaliningrad, destijds Pruisisch grondbezit en een veilig vluchtoord.
  • Hoe onwaarschijnlijk, maar een derde optie is mogelijk. Als Hendrik de oorlog tegen Rusland heeft overleefd, dan kan hij een jaar later in oktober 1813 bij Leipzig, ook dicht bij de Elbe gelegen, vlak voor de veldslag nog een brief hebben geschreven.

De eerste optie is de meest waarschijnlijke, met als conclusie dat Hendrik onderweg is overleden en nooit Moskou heeft bereikt.

Gerrit Klinkenkamp

Gerrit Klinkenkamp is geboren op 24 mei 1789 te Bathmen als zoon van Derksken Jansen Ilsink. Bekend is dat hij als fuselier is ingedeeld in het 87e cohort met als standplaats Groningen. Wanneer hij daar aankomt is onbekend, maar zijn carière is van korte duur. Op 15 november 1812 overlijdt Gerrit in het militair hospitaal te Groningen.

Cornelis Alblas

Cornelis Alblas is geboren 8 april 1790 te Schoonhoven. Hij komt in 1810 in aanmerking voor de dienstplicht. Uiteindelijk wordt hij pas in 1812 opgeroepen en komt hij met stamboeknummer 4286 bij het 123e Regiment van Linie. Op 20 april 1812 arriveert hij op zijn standplaats Sint-Omaars in Noord-Frankrijk. Hij is onder gelijken, want het 123e is een Hollands regiment. Cornelis ontvangt hier slechts zijn training want op 12 augustus wordt hij ingedeeld bij het 2e Regiment de la Mediteranee, 1e bataljon, 1e compaginie met stamboeknummer 7817.

De strijd tegen Spanje heeft Napoleon nooit helemaal kunnen winnen en vraagt continue rekruten. Mogelijk dat de term 'Mediteranee' hierop slaat en Cornelis aldaar is ingezet. In 1811 had dit regiment nog zijn thuisbasis op Corsica en Elba. Van Cornelis weten we verder niets, wat het waarschijnlijk maakt dat hij in diensttijd is overleden.

Cornelis Tisper, Wouter Mulder en Hendrik de Bruijn

Gezien zijn leeftijd zal Cornelis Tisper, geboren 11 september 1791 te IJsselstein, in 1811 zijn opgeroepen. Hij komt met stamboeknummer 1141 in het 3e cohort terecht. Wouter Mulder, geboren 1 november 1791 te Epe, is verre familie van Aart Florens. Wouter komt met stamboeknummer 1087 terecht in het 88e cohort. Hendrik de Bruin, geboren 20 december 1789 te Langerak, is een kleinkind van Zwaantje van der Pijl en komt eveneens in het 88e cohort terecht.

Beide cohorten hebben als standplaats Amsterdam en zijn verantwoordelijk voor de kustverdediging. Napoleon vreest net als in 1809 een Engelse invasie op de Nederlandse kust. Beide cohorten is beloofd dat ze niet actief worden ingezet bij gevechtshandelingen. Maar toen Napoleon na de veldtocht tegen Rusland dringend behoefte had aan soldaten, verzochten in februari 1813 hoge officieren uit het cohort zelf om alsnog ingezet te worden.

Zo zouden alle drie op 'vrijwillige' basis zijn opgegaan in het 146e Regiment. Van dit regiment zijn geen stamboeken bewaard gebleven. Bekend is dat het regiment in de loop van 1813 heeft deelgenomen aan de Saksische oorlog. Van Cornelis en Hendrik weten we niets en het is mogelijk dat ze bij één van de veldslagen in Duitsland zijn omgekomen. Als Wouter al heeft deelgenomen, dan heeft hij het overleefd, want hij huwt in 1821.

Herman Houtvester

Herman Houtvester is geboren 8 maart 1792 te Eemnes en een zoon van Teunis Houtvester. In 1812 komt hij in aanmerking voor de dienstplicht, maar hij wordt pas in 1813 opgeroepen. Op 17 april komt hij aan in de kazerne van het 131e Regiment Infanterie van Linie met stamboeknummer 12956. In een maand tijd zal hij zijn training ontvangen en is mogelijk begin juni naar het front in Duitsland gezonden, waar op dat moment een tijdelijke wapenstilstand heerst. Van Herman weten we verder niets en het is waarschijnlijk dat hij het leven heeft gelaten in de Saksische oorlog bij één van de veldslagen bij Gross-Beeren (augustus), Denewitz (september), Leipzig (oktober) of Hanau (oktober).

In 1812 was Napoleon niet volledig verslagen in Rusland. De enorme verliezen waren een gevolg van honger, koude en ziektes, niet door verloren veldslagen. De veldtocht maakte duidelijk dat hij niet onkwetsbaar was. Duitsland kwam daarom in opstand tegen de Franse overheersing. In 1813 verzamelde Napoleon een leger van Fransen en geallieerden voor een nieuwe veldtocht tegen Duitsland. Hij zegevierde in de veldslag bij Lützen op 2 mei en bij Bautzen op 20 mei. Bij de zeer grote en bloedige Slag bij Leipzig van 16-19 oktober werd hij verslagen. De troepen van Napoleon die de Russische veldtocht hadden overleefd, waren sterk verzwakt. De in allerijl opgetrommelde nieuwe soldaten waren veelal jong en onervaren. De doden en gewonden konden niet worden verzorgd, geborgen of begraven. Na de slag brak door de erbarmelijke hygiënische omstandigheden in en om Leipzig tyfus en cholera uit . Deze verloren veldslag leidt tot de verbanning van Napoleon naar Elba. In november trekken de Franse troepen zich langzaamaan uit Nederland weg, veelal verjaagd door een rond trekkend leger van Kozakken. (bron: Geschiedenis Beleven, Veldtocht van Napoleon naar Rusland en Slag bij Leipzig)

Hendrik Teunissen Eilander

Hendrik Eilander, geboren 16 februari 1792, is een zoon uit het derde huwelijk van Theunis Eilander. Hij is ingedeeld bij het 19e Regiment van Infanterie met stamboeknummer 13190. Op 15 april 1813 bereikt hij de kazerne, vermoedelijk in Douai (Dowaai), Noord-Frankrijk. Hij heeft deelgenomen aan de oorlog in Duitsland, want oktober 1813 wordt hij krijgsgevangen gemaakt. Dit moet tijdens of aan de vooravond van de Slag om Leipzig zijn geweest, waar het 19e regiment aan deelnam.

Jan Ruitenberg en Ernst van der Vlist

Jan Jans Ruitenberg, zoon van Matje van 't Oever, geboren op 17 november 1793 te Zalk, is in 1813 aan de beurt. Met stamboeknummer 13563 wordt hij ingedeeld bij het 70e Regiment Infanterie van Linie. Op 19 augustus arriveert hij en zal medio september naar het front gezonden zijn. Het 70e Regiment heeft deelgenomen aan de veldslag bij Leipzig (oktober). Over Jan Jans is verder niets te vinden en vermoedelijk is hij in Duitsland overleden.

Ernst van der Vlist is geboren 19 januari 1793 te Jaarsveld. Met het lage lotings nummer 25 in het kanton IJsselstein, wordt hij direct opgeroepen voor militaire dienst. Op 28 augustus 1813 bereikt hij de kazerne van het 8e Regiment Infanterie van Linie. Net als anderen ontvangt hij zijn training en wordt direct daarna op 13 september overgeplaatst. Het 142e Regiment van Linie, 1e bataljon, 3e compagnie is ingezet bij de slag om Hanau (oktober). Misschien ontving Ernst zijn training te laat om nog actief aan een veldslag deel te nemen of heeft hij de oorlog gewoon overleefd. Ernst huwt in 1820 en krijgt nadien meerdere kinderen.

En dan ook nog ...

Als of er geen einde kwam aan de oorlogen van Napoleon, zo lijkt er ook geen einde te komen aan de mannen die zijn opgeroepen binnen mijn familie. Van deze drie weten we helaas niets omdat de stamboeken door het Service Historique de la Défense nog niet zijn gedigitaliseerd.

  • Aalbert Maaslant staat per abuis als Maaskant bekend. Gezien zijn leeftijd zal hij in 1810 of 1811 zijn opgeroepen. Hij is ingedeeld bij het 9e Regiment Chevaux Ligere (cavalerie).
    Als Aalbert het 9e volgt dan kan hij als observatiekorps in Hamburg (1811) zijn geweest en bij de veldslagen van Vitebsk , Ostrowno, Moskowa en Berezina (alle 1812), Mockern of Kulm (beiden 1813).
  • Jan van Limbeek, zoon van Jacob Jans van Limbeek is ingedeeld bij het 3e cohort. Dit cohort is later opgegaan in het 146e Regiment. Als Jan al aan enige veldslag deelneemt, dan overleeft hij dit, want hij zal later Barbara Bodeé huwen.
  • Jan Hendrik van Zutphen, schoonzoon van Annigje Borst ingedeeld bij het 3e cohort en later bij het 12e Regiment waar hij op 18 oktober 1813 arriveert. Als Jan Hendrik al aan enige veldslag deelneemt, dan overleeft hij dit, want in 1816 huwt hij.

bron: Hoogenraad 2012, The Napoleon Series, 70e regiment, 142e regiment, Nederlands Instituut voor Militaire Historie, Service Historique de la Défense

 

Atlas van Huguenin

1819 - 1829

Onder leiding van eerste luitenant Willem Ulrich Huguenin worden militair-topografische kaarten gemaakt voor Noord-Nederland. De kaarten zijn gebaseerd op eigen metingen en op bestaand materiaal van het kadaster, de Fransen en Hottinger. Bij het maken van de kaarten is aandacht besteed aan twee aspecten:

  • Strategische objecten. Militair strategische objecten die actief verdedigd moeten worden of passief bijdragen aan de verdediging.
  • Navigatie. Uit de verte herkenbare objecten ten behoeve van orientatie. Te denken valt aan kerktorens.

De sluis van Kars Roelofs van der Stouwe, gelegen bij Kamper Nieuwstad, komt prominent voor op de kaart van Huguenin. In Nederland was het ten tijde van oorlog gebruikelijk om land onder water te zetten. Een passieve verdediging die de vijand dwingt een omweg te maken of een andere aanvalsstrategie te kiezen. Vanwege deze verdedigingsstrategie is waarschijnlijk de sluis op de kaart opgenomen. Door het graven van het Nieuwe Kanaal werd de monding van de Gelderse Gracht verlegd. In 1825 is de Kars Roelofs sluis vervangen door de verderop gelegen "Noorder Merk-sluis".

Door verandering van tactieken en technieken in oorlogvoering komt de sluis op latere topografische kaarten niet voor. Toch wordt innundatie ook in WOII nog toegepast. Zo wordt door de Duitsers in 1944 de verderop gelegen Polder Mastenbroek nog onder water gezet.

Atlas van Huguenin Atlas van Huguenin. Fragment van het kaartblad Kamperveen waarop de Kars Roelofssluis is te zien. (bron: Versfelt, H.J. en M. Schroor, 2005.)

 

Papiermakers

Oud ontmoet nieuw

Rond 1700 bestaat een bloeiende papierindustrie langs de Veluwezoom. De regio leent zich hiervoor goed door de aanwezigheid van hout, schoon en stromend water.

Jan Willems van Dieren en Berend Jurriaans van der Beek zijn beiden papiermaker bij Heerde. Hun kinderen trouwen met elkaar en nadien zullen nog twee generaties papiermaker zijn. Zij bezitten meerdere watermolens en hebben rechten op de achterliggende beken.

Jaarlijks bladafval van bomen hindert de doorstroming van beken en dus de aandrijving van de watermolens. Mijn voorouders moeten geregeld de beken hebben geschoond. Tegenwoordig is de functie voor watermolens vervallen en worden beken niet meer geschoond. De Beekprik, een zeldzame vis, wordt daardoor bedreigd. Op onderstaande foto is mijn broer voor de Stichting tot Behoud van de Veluwse Sprengen en Beken bezig het bladafval te verwijderen. Hij doet het werk met de hand, net als mijn voorouders deden. Alleen het doel is anders. Toeval wil dat hij op de foto werkt in een beek waar vroeger ook familieleden van afhankelijk waren.

Vaassen, Nieuwe Beek 1985. Mijn broer verwijdert met de riek het ingewaaide blad uit de Nieuwe Beek achter Vaassen.

Ook op watermolens bij Vaassen, Wenum Wiessel, Apeldoorn, Loenen, Velp, Rozendaal en Ermelo zijn familieleden van mij werkzaam als papiermaker of als knecht.

Via moederskant: Maria Hendriks Koller, Aaldert van der Beek, Aart Florens, Teunis Hendriks van Velthuijsen, Lammert Jurriens Ritbroek, Jan Willems Cortenbrink, Hendricus Hendriks van Velthuijsen, Hendrik Thonis van Velthuijsen.

Via vaderskant: Arend van der Beek, Aart Derks Labots, Gerrit Aert Martens Schut, Jan Driessen van Emst, Jurriaen van der Beek, Sebush Berends van der Beek, Grietje Jacobs Vorstelman, Jurriaan Bloemkolk, Berent Jurriaens van der Beek, Jan Willems van Dieren

bron: Papiermolens op de Veluwe

.

De ruzie tussen papiermaker Waller en Haack

1723

De oudste zoon van Adriana Dries van Emst, zus van papiermaker Jan Dries van Emst is voorbestemd om ook papiermaker te worden. Deze zoon, Andries, bouwt in 1718 met geleend geld een papiermolen in Elburg. Hij maakt vele soorten papier, maar waarschijnlijk niet de beste, want door schulden en ruzie verbreekt hij in 1723 de samenwerking met zijn neef en tussenhandelaar Haack. Hij stuurt voortaan zijn papier aan de Amsterdamse factor Jurrien van der Beeck, de zwager van Jan Dries van Emst.

>> Lees het hele verhaal op www.waller.nl.

 

De Roskam

1733

Vanaf paaschen 1733 gaat Egbert Jans Terink, knecht aan de Roskam, te kerke in Warnsveld (bron: lidmatenboek). De Roskam is een gebruikelijke naam voor een herberg waar ook de paarden verzorgd worden. In de wijde omgeving zijn er meerdere herbergen met deze naam, bijvoorbeeld in Gorssel en in Voorst. Lang duurde de speurtocht niet, want direct naast de kerk ligt de herberg.

Verrassend is dat uit vrijwel dezelfde periode een pentekening stamt van de kerk door Jan de Beijer (1703-1780). Het gebouw rechts op de tekening is herberg De Prins. Dat betekent dat Jan de Beijer vanaf herberg De Roskam heeft getekend.

Jan de Bijer, Warsnveld 1743't dorp Warnsveld, 11 september 1743. Tekening Jan de Beijer.

 

Atlas van de familiegeschiedenis

In de archiefstukken kom je geregeld straat- en veldnamen tegen. Bij nader onderzoek blijkt dat we gebeurtenissen, eigendommen en boerderijen nauwkeurig op kaart kunnen aangeven. In deze Atlas van de familiegeschiedenis hebben we hiermee een aanvang gemaakt.

>> Lees meer

ArcGis Online

 

Wetering

Herkomst en betekenis

De betekenis van wetering is watergang, een brede veelal gegraven waterloop. Synoniemen zijn grift, sloot, tocht, kanaal, vaart. Deze begrippen worden regionaal gebruikt om waterlopen van bepaalde afmeting, functie en oorsprong aan te duiden. Het Meertens Instituut beschouwt de familienaam Van de Wetering als adresnaam. Dat wil zeggen dat de familienaam is afgeleid van een aardrijkskundige naam.

Op basis van de topografische kaart en de stratenatlas is geturfd waar de naam Wetering wordt gebruikt. De volgende categorieën zijn onderscheiden: dorpen, wegen, polders en watergangen. Hieruit is af te leiden dat de naam wetering in aardrijkskundige zin gebruikt wordt in de provincies Overijssel, Gelderland, Utrecht en Zuid-Holland.

Verondersteld mag worden dat de familienaam Wetering de aardrijkskundige naam volgt en in dezelfde provincies dus ook hogere aantallen laten zien. Dat is niet waar! In het hoofdstuk Kernnamen is te zien dat de familienaam Van de Wetering in de IJsseldelta van Overijssel wel de aardrijkskundige naam volgt. De afwezigheid van de familienaam in Zuid-Holland en Utrecht is opvallend, terwijl juist hier een groot aantal weteringen in aardrijkskundige zin te vinden zijn. Daar staat tegenover dat het veelvuldig voorkomen van de familienaam in Noord-Brabant nauwelijks is te verklaren met het voorkomen van het geringe aantal weteringen in aardrijkskundige zin.

>> Lees meer

 

Kernnamen

De familienaam "van de Wetering" geeft op de website www.familienaam.nl helaas geen resultaat. Toch nieuwsgierig naar de verspreiding van deze en andere namen en de mogelijke herkomst daarvan hebben we een vergelijkbaar onderzoek gestart.

>> Lees meer

Kernnamen

 

Nederduits Gereformeerd

Een hele korte kerkgeschiedenis

In de archieven komen we regelmatig de afkorting NG voor religie tegen. Analoog aan NH was het vermoeden dat dit staat voor 'Nederlands Gereformeerd'. Het blijkt echter dat de afkorting voor 1816 gebruikt wordt voor Nederduits Gereformeerd. Nieuwsgierig naar de betekenis hiervan volgt hieronder een (hele) korte kerkgeschiedenis.

Taalkundig betekenen de woorden 'hervormd' en 'gereformeerd' precies hetzelfde. In beide gevallen gaat het om kerken die uit de Reformatie of Hervorming zijn voortgekomen. Het onderscheid, in de Nederlandse taal, tussen 'hervormd' en 'gereformeerd' is pas ontstaan na de Afscheiding van 1834. Voordien sprak men tussen 1571 en 1816 uitsluitend over (nederduits) 'gereformeerden' en sinds 1816 over 'hervormden'. Afsplitsingen van de hervormden kunnen zich weer gereformeerd noemen.

De Katholieke Kerk begon zich eind 15e eeuw als heerser te gedragen met een sterk gecentraliseerde macht en verworven rijkdommen. In de 16e eeuw ontstaan denkbeelden over terugkeer van de kerk naar haar Bijbelse oorsprong. De kerk moest gezuiverd worden van on-Bijbelse invloeden, bijvoorbeeld de handel in aflaten waarbij een katholiek een plaats in de hemel 'koopt'. Begin 16e eeuw verzetten Luther en later ook Calvijn zich tegen de Katholieke Kerk. Luther en Calvijn verschillen in hun denkwijze onder andere over

  • Scheiding van Kerk en Staat. Luther was hiervan een voorstander, Calvijn een uitgesproken tegenstander.
  • Predestinatieleer. Calvijn was aanhanger van de predestinatieleer, die stelt dat God voor de geboorte van iemand al heeft bepaald of deze in de hemel komt of niet. Volgens Luther had de mens zelf invloed op zijn redding. De mens zou behouden blijven door het geloof in God, het lezen van de Bijbel en het verrichten van goede werken.

In 1571 wordt de Nederduits Gereformeerde Kerk gesticht. Het was gebaseerd op de ideeën van Calvijn maar huldigde ook opvattingen van Luther en de humanist Erasmus. De stroming had grote invloed in Frankrijk, Schotland, Zwitserland en de Nederlanden. In 1579 werd het zelfs de publieke kerk van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

De gereformeerden in de Nederlanden verklaarden zich onafhankelijk van koning en Katholieke kerk. Het Plakaat van Verlatinghe verwierp politiek gezien het gezag van de koning met als argument dat een volk het recht van opstand heeft wanneer een koning zijn plichten jegens zijn volk niet nakomt en zich als een tiran gedraagt. Het feit dat uit deze verklaring de zin "d’ondersaten en zijn niet van Godt geschapen tot behoef van den prince maer den prince om d’ondersaten will" het Reformatie-monument in Genève heeft gehaald, staat symbool dat een dergelijke revolutionaire gedachte ook opging voor kerkelijke machthebbers.

Vanwege vervolging van protestanten in het zuiden van Europa ontstaat een vluchtelingenstroom naar het Noorden, de Republiek der Nederlanden, waar een tolerant klimaat heerst en er zoiets bestaat als godsdienstvrijheid. In de eeuwen hierna ontstaan twee hoofdstromingen, een roomsheidbeweging en de meer rekkelijken. Hierdoor ontstaan binnen de Nederduits Gereformeerde Kerk plaatselijk grote verschillen in opvatting en levenshouding.

Na Napoleon schept koning Willem I in 1816 orde en brengt de verschillende kerkordes onder in een nieuwe Nederlands Hervormde Kerk. Deze is centralistischer dan voorheen. Ondanks de grondwettelijke scheiding tussen kerk en staat en de vrijheid van godsdienst, bemoeit koning Willem I zich veel met de Nederlands Hervormde Kerk. De nieuwe kerkorde schept dan ook plaatselijk veel onrust. Onder leiding van dominee Hendrik de Cock vindt een eerste scheuring plaats "de Afscheiding van 1834". Later ontstaat een wirwar van afscheidingen. Voor een deel van deze stromingen wordt opnieuw de term gereformeerd gebruikt.

Door leegloop van de kerk zoeken vele van deze stromingen tegenwoordig weer samenwerking in de Protestantse Kerk Nederland.

 

Scheuring in de kerk

1834

Na het overlijden van Harmina Antonia Bessem huwt haar man opnieuw. Uit dat huwelijk komt Anthony Brummelkamp voort. Na Hendrick de Cock en Hendrik Scholte wordt Brummelkamp als derde vader gezien van de Afscheiding in 1834.

Al bij zijn intrede als predikant in oktober 1834 veroorzaakt hij met zijn preek onrust onder de vrijzinnige bevolking van Hattem. Dezelfde maand kreeg hij al een aanvaring met de kerkenraad. Die hield zich op de achtergrond totdat het tijdens de kerkdienst uitdraaide op een gevaarlijk handgemeen. Uiteindelijk eist de provinciale synode onderwerping aan haar gezag en Anthony weigert. Nog geen jaar na aantreding in oktober 1835 laat de kerkenraad hem vallen.

Waar gaat het om bij de afscheiding van 1834? Zoals eerder te lezen is, heeft Koning Willem I de Hervormde kerk geherstructureerd met hemzelf aan de macht. De structuur die gold vanaf de Dordtse synode in 1619 werd afgeschaft. Maar de afvalligen vonden ook dat de Bijbelse leer verwaterde en moest worden hersteld. Een inmiddels bekend verwijt binnen de kerk en al haar afscheidingen.

Overigens moesten al deze afscheidingen een erkenning van de overheid, lees Koning Willem I, aanvragen. Omdat ze dit weigerden of de erkenning niet kregen, werden ze aanvankelijk vervolgd.

bron: biografischwoordenboekgelderland.nl, Historiek.net, Historisch Nieuwsblad

 

Het Antjesgeloof

1890

Teunis Hoogendoorn is een welgestelde man van 30 jaar als zijn vrouw Aartje van Zelderen in 1890 overlijdt. Zijn vermogen heeft hij aan haar en zijn schoonfamilie te danken.

In Veenendaal leert hij Jannetje Hootsen kennen. Door haar ravenzwarte haar en donkere ogen, ook wel Zwart Jannetje genoemd. In 1892 trekt hij bij haar familie in. Teunis wordt de levensgezel van Jannetje, maar ze zijn nooit getrouwd. Jannetje is de bruid van Christus en een huwelijk past hier niet. Wel delen beiden het bed en volgens de roddels heeft zij zelfs een zoon gebaard.

Teunis wordt later de 'arrangeur van het hele gebeuren rond Jannetje' en de 'leider van de godsdienstige bijeenkomsten' genoemd. Door zijn rijkdom kan je hem ook zien als financier er van. In 1898 laat hij op een naast gelegen stuk grond een deftig herenhuis bouwen voor Jannetje en haar volgelingen. Na haar dood leefden er nog 22 mannen en vrouwen.

Onder invloed van dominee Lederboer en ene Tijmen van Dijk ontwikkelt Jannetje een eigen uitleg van de Bijbel. Tijdens huiskamersessies voor bijbelstudie raakt Jannetje spiritueel en lichamelijk begeesterd. In Veenendaal, maar vooral Polsbroek weet zij een kleine aanhang te creëren. Jannetje en haar volgelingen zijn van mening dat de kerk is afgedwaald. Alle bestaande instituties als overheid, koninklijk huis, rechterlijke macht, geneeskunde en onderwijs worden afgewezen met het argument dat 'Alleen God beschikt'. Hiermee plaatsen zij zich zelf buiten de dorpsgemeenschap en worden zo mikpunt van spot en pesterijen.

Aartje van Zelderen is een kleinkind van Jacobus Borst. Langs een lange lijn is Teunis Hoogendoorn familie van Iefje Sijmens Benschop. Mogelijk is Teunis ook familie van de tak Hoogendoorn in onze stamboom, hoewel wij dat nog niet hebben kunnen aantonen.

bron
L.H. de Kluijer. 2000. Of bekijk onderstaande documentaire naar aanleiding van het boek.

Uitzending RTV Utrecht DocU 31 dec 2016. https://www.youtube.com/watch?v=160eX4uzmpU Link naar DoCu van RTV Utrecht over Zwart Jannetje en het Antjes-geloof.

 

De held en de landloper

1822

Onder het toeziend oog van verbaasde eilandbewoners van Schokland redden de broers Aart en Rutger Landman op 6 december 1821 tijdens een storm een gezin. Aanvankelijk waren beide broers nog terughoudend, maar onder aansporing van hun bejaarde vader, Dries Aarts Landman, zijn ze in hun open schuit gestapt en hebben het gestrande schip van het zand gesleept 'en zoo Vader, Moeder, Zoon en dochter van den oogenschijnlijksten dood, aan het leven weder gegeven'. Voor deze daad ontvangen ze elk op 13 augustus 1822 een zilveren medaille van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen.

De beloning zal een leuke opsteker zijn geweest voor Aart. Zo voorspoedig ging het niet met zijn kleinzoon en naamgenoot. Geboren in 1840 bleef Aart junior op volwassen leeftijd met een lengte van 1,56m klein. Latere aktes geven aan dat hij een gedrongen postuur had en een hoge rug. Waarschijnlijk was zware arbeid lastig en kreeg hij daarom nergens langdurig werk. Zo was hij veroordeeld tot armoede en een zwervend bestaan. In zijn leven is hij drie keer veroordeeld voor landloperij en bedelarij.

  • 1886, 30 oktober. Het Kantongericht Kampen veroordeelt Aart voor herhaaldelijk dronkenschap tot 3 maanden gevangenis. Op 21 december wordt hij ingeschreven in de gevangenis te Hoorn en zit zijn straf tot 21 maart 1887 uit.
  • 1889, 31 oktober. De Rechtbank Heerenveen veroordeelt Aart samen met Roelof Nijboer en Jan Missink voor bedelarij. Zijn vonnis luidt 1 jaar en 6 maanden gevangenis
  • 1896, 15 juni. Volgens de Signalementskaart van Veenhuizen heeft zijn laatste veroordeling plaats gevonden in Utrecht voor landloperij.

Uiteindelijk wordt hij 15 juni 1896 opgenomen in Veenhuizen en overlijdt aldaar in het hospitaal op 59 jarige leeftijd in 1900. Aart was niet getrouwd en had geen kinderen.

Bronnen: Overijsselsche Courant, 19 november 1822 en allefriezen.nl, openarch.nl, noord-hollandsarchief.nl, drentsarchief.nl.

Aart Driesen Landman

Aart Driesen Landman (1840-1900) op 56 jarige leeftijd. Bron AlleDrenten.nl.

 

Voor eigen gewin. De carrière van Govert de Bruijn.

1654 - 1694

Govert de Bruijn vertrekt in 1654 als adelborst met de VOC naar Batavia. Het gaat hem voor de wind en in 1664 is hij hoofd van het handelskantoor voor inkoop van rijst. Als hij wordt beschuldigd van fraude schrijft hij januari 1674 een brief waarin hij zijn collega's beticht van 'naijver'. Tegen het verbod van de VOC in vertrekt Govert begin 1674 met een Portugees schip naar Lissabon om vervolgens door te reizen naar Amsterdam. Hij keert op 29 november 1674 terug in zijn geboorteplaats.

Ook hier gaat het hem voor de wind. In 1675 koopt hij bij Lexmond Huize Killesteijn en huwt het zelfde jaar nog met Margareta Coxius. Inmiddels is de VOC achter de verblijfplaats van Govert gekomen. Zij wil beslag leggen op zijn bezittingen en hem gevangen zetten in de Gevangenpoort in Den Haag. Januari 1676 zijn de gerechtelijke papieren hiervoor klaar.

Maar Govert heeft in 1674 zijn bezit al ondergebracht bij zijn schoonvader. Govert zet overal zijn familie voor in: schoonvader Coxius, zwager Pieter van der Werff, neef Cornelis van Aelst, neef Andries de Bruijn. In 1683 wordt het Govert toch te heet onder de voeten, want hij verkoopt al zijn bezit en vertrekt met zijn gezin naar Suriname.

Ook in Suriname maakt hij razendsnel carière tot Raad van Politie en Justitie. Vanaf 1685 exploiteert hij 644 ha op de linkeroever van de Commewijne-rivier. Deze plantage kreeg later de naam Killesteijn-Nova. Het is een kleine plantage. De grootste is maar liefst zes keer zo groot.

Bovenstaande tekst is een samenvatting van een artikel van De Bruijn-Ter Denge en De Bruijn. De schrijvers schetsen een neutraal beeld van Govert door bronnen te citeren, zonder onderliggend een oordeel te vellen. Met de blik van nu kan je zeggen dat Govert wel erg goed voor zichzelf heeft gezorgd.

>> Lees het hele verhaal in Nieuwsblad van de Historische Vereniging Ameide en Tienhoven, blz 38.

Lexmond, Huize Killesteijn Huize Killesteijn te Lexmond, ooit bezit van Govert de Bruijn. Tekening Abraham de Haen.

 

De Verenigde Oostindische Compagnie

1721 - 1773

Jan Delmerhorst en de broers Pieter en Wilhelmus Engelbronner maken onderdeel uit van mijn parenteel. Met de Verenigde Oostindische Comapgnie (VOC) maken zij diverse keren de oversteek naar Indië. Details over hun reizen heb ik op deze pagina verzameld. Hieronder hun verhaal.

De VOC is de eerste multinational die 'aandelen' uitgaf om de reizen en de bouw van schepen te bekosten. De handel in specerijen, textiel, porselein en metalen leide tot de Gouden eeuw voor de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waarvan de Hollanden en Zeeland profiteerden. Helaas verliep de handel niet altijd op een eerlijke wijze. Denk bijvoorbeeld aan protectionistische oorlogen, slavenarbeid, slavenhandel en afzetterij. De tolerante samenleving en de economische voorspoed leide tot een trek van handelaren en arbeiders vanuit heel Europa naar de Nederlanden.

Jan Delmerhorst

Dirck Delmerhorst komt in 1695 uit Leiden en vestigt zich in Arnemuiden. Daar wordt hij al snel genoemd als schepen en diaken. Na zijn overlijden vraagt zijn vrouw Johana Clarisse aan het stadsbestuur of zij 'schoolvrouw over een kinderschool' mag worden. Waarschijnlijk is zij familie van de vele schoolmeesters met de naam Clarisse uit Zeeland (en Leiden). Het stel woont in Arnemuiden aan de Markt in het huis genaamd 'Het Katje'. Hier zal Jan Delmerhorst zijn geboren. In ieder geval na 1695, maar waarschijnlijk rond 1705.

Jan is ongeveer 12 jaar oud als hij op 8 april 1718 voor het eerst in de archieven gemeld wordt. Hij is aangemonstert als oploper op het roeifregat de Orange Galleij. Kapitein is Hermanus Wiltschut, familie van de 'Wiltschut-dynastie' die allerlei belangrijke posities in Arnemuiden bezetten. Waarschijnlijk weet vader Dirck via het gemeentebestuur zo een baantje voor zoon Jan te regelen.

Vanaf 1721 gaat Jan voortaan met de VOC op reis. Van Arnemuiden naar fort Rammekens is het ongeveer 7 kilometer. Die zal Jan te voet hebben afgelegd. Op 15 februari 1721 vertrekt het schip de Ravensteijn naar de Kaap. Aan boord 174 zeelieden, 83 soldaten en 1 passagier. Jan is 'jongen' wat zoveel betekent als manusje van alles. Hij ontvangt hiervoor 5 gulden per maand, ongeveer 3⅓ stuivers per dag.

Zoals veel VOC-opvarenden begon Jan zijn reis met een schuld. Op voorhand krijgt hij twee maand loon uitgekeerd. Ook krijgt hij elke reis een kist voor persoonlijke eigendommen. Uit het soldijboek weten we de maten, 3½ hoog x 1⅓ wijt x 1⅓ voet neer. De kist is niet groot, want smokkel is een groot probleem voor de VOC. De schipper is gerechtigd om de kist te controleren, open te breken en de inhoud te confisqueren. De inhoud van de kist is niet vermeld maar bestond doorgaans uit kleren, naaigerei, beddegoed, tabak en brandewijn. Kosten: 5 gulden en 5 stuivers.

De V.O.C. werkt met schuld- en maandbrieven. Voor een jongeling als Jan zal het nieuw zijn, want deze eerste reis heeft hij ze beide niet. Latere reizen zal hij een maandbrief voor zijn moeder en zijn vrouw afgeven. Hiermee machtigt hij hun om per jaar 3 maandlonen te innen. Mits Jan niet alles al heeft verbrast of vergokt. De maandbrief had voorrang op de schuldbrief.

Met een schuldbrief lost Jan een schuld af. In 1721 is hij nog te jong voor schulden want hij komt rechtstreeks van huis. Van latere reizen zijn schuldbrieven bekend op naam van Willem Bolmijer (1728), Sara de Vries (1735) en Benjamin Cateau (1740, 1746).

  • Sara de Vries is waarschijnlijk logementhoudster. Jan trouwt in 1734 in Leiden en zijn beide kinderen worden daar geboren. Hij zal dus in Leiden wonen. Voor vertrek in Zeeland in 1735 is Jan aangewezen op het gastenverblijf van Sara.
  • Cateau is diaken te Middelburg. Hij koopt schuldbrieven op voor minder dan de uitstaande schuld. Schuldbrieven worden vaak doorverkocht omdat de oorspronkelijke schuldeiser het risico loopt dat de opvarende onderweg overlijdt voordat de schuld is voldaan.

Van die eerste reis is alleen de terugreis het vermelden waard. Na 16 maanden Indië keert Jan op 21 januari 1723 onder schipper Jan Credo terug. Credo is een zoon van de beruchte kaperkapitein Willem Credo. Een kaper is een legale piraat. Hij heeft kaperbrieven van zijn landsbestuur, waarmee het is toegestaan om schepen uit andere landen te beroven. Destijds heel normaal. Maar Jan Credo doet meer, getuige de fraude in Italië en het feit dat hij daags voor vertrek uit de Kaap de slaaf Thintsaij verkoopt. Ik denk dat Jan Credo zelf de grenzen van het toelaatbare opzocht, maar absolute gehoorzaamheid van zijn bemanning eist.

De reis van 1728 met de Stabroek is gedenkwaardig. Door lekkage raakt onderweg 5.000 kilo brood bedorven en vervolgens duurt de reis naar de Kaap met 137 dagen vrij lang. Misschien is het voedsel gerantsoeneerd geweest. Op dit deel van de reis overlijden 7 mensen. Mocht Jan vanaf 9 juni denken veilig te zijn op de Kaap, dan had hij het mis. Op 3 juli kort voor één uur wordt het schip tijdens een noordwester storm het strand van de Tafelbaai op gedreven en komen 22 man om het leven. Tussen juli en september vertrekken meerdere schepen en de overlevenden vervolgen hun reis naar Batavia. Toch zal Jan pas op 15 september met het schip de Hillegonda volgen. Was Jan gewond geraakt? Moest hij meewerken aan het herstel van de Stabroek? Stond hij laag in de pikorde en hadden anderen voorrang?

Jan is inmiddels in de bloei van zijn leven en de ramp heeft Jan misschien aan het denken gezet over zijn toekomst. Op 22 juli 1733 keert hij terug in Nederland. Zeven maand later, op 19 februari 1734, trouwt hij in Leiden met Johanna Beket. Bij het huwelijk is zij al 4 maanden zwanger. Het stel krijgt twee kinderen, waarvan er één waarschijnlijk jong overlijdt. Hij ziet zijn vrouw en kinderen nauwelijks, want hij blijft voor de VOC varen en is zelden thuis. Vanaf zijn trouwen tot aan zijn dood in 1746 is hij 937 dagen in Nederland, 992 dagen onderweg en 2.576 dagen in Indië. Johanna stond er dus alleen voor. De drie maanden loon die ze jaarlijks kan opvragen zal de totale kosten van dat jaar niet dekken. Ze zal er naast ook hebben moeten werken.

Op 19 maart 1735 vertrekt Jan opnieuw. Hij is inmiddels opgeklommen tot konstabel (constapel) en verdient daarmee 22 gulden per maand. De functie van konstabel is van het niveau van korporaal. Hij is verantwoordelijk voor het vastbinden van de kanonnen bij storm, het geregeld keren van de vaten kruid opdat het niet zal klonteren en het onderhoud van de overige wapens als musketten, pistolen en degens.

Jan Delmerhorst is van 1721 tot 1746 in dienst van de VOC. Hij maakt elf keer de oversteek naar Nederlands Indië en terug en verdient daarmee zo'n 3.822 gulden. Naar huidige maatstaven 39.287 euro. Tijdens zijn elfde reis met de Padmos gaat het mis. Op 22 maart 1746 vertrekt het schip naar San Tiago. Er zijn vele plaatsen met deze naam, maar ik vermoed de Kaap Verdische Eilanden, voor de kust van Marokko. Daar komt het schip op 2 mei aan. Na een week, op 10 mei, vertrekt het weer. Nog voor ze de Kaap bereiken zijn er 39 doden aan boord geteld. Onder hen ook Jan. Hij overlijdt op 21 juni 1746. Hij heeft een zeemansgraf gekregen ten zuiden van de evenaar.

Pieter en Wilhelmus Engelbronner

Pieter en Wilhelmus zijn kleinzonen van Pieter Bernhard Engelbronner en komen uit een gegoede familie. In de familietak Engelbronner komt adel voor. Het aanmonsteren bij de VOC zal vanuit armoede gebeuren, misschien vanwege het grote avontuur, maar niet omdat de zee lonkt want daar hebben ze, afkomstig uit Rhenen, geen ervaring mee.

Als oudste meldt Pieter zich op 24-jarige leeftijd als eerste aan. Op 8 mei 1764 vertrekt hij als trompetter onder schipper Leendert van der Linden met de Kattendijke uit Goeree.

Trompetters en tamboers coördineerden het werk van de bemanningsleden op het dek. Op de maat van het tromgeroffel of van het geschal van de trompet werden de zeelieden aangestuurd. Aan boord vervulden de scheepsmuzikanten in feite dezelfde functie, maar in rang verschilden ze van elkaar. De trompetters kregen .. de rang van dekofficier toebedeeld, terwijl tamboers behoorden tot de militaire garde. ... Zo kwamen de tamboers uit lagere sociale milieus dan de trompetters en verdienden zij beduidend minder.(bron: Getrommel en trompetgeschal. Naar Indië op het ritme van de tamboer )

De Kattendijke vertrekt samen met de IJsselmonde. De reis naar de Kaap duurt met 138 dagen vrij lang. De IJsselmonde doet er zelfs nog vijf dagen langer over. Aan boord van de Kattendijke was het niet gezellig want tijdens de gehele reis zal 16% van de bemanning overlijden Ofwel 49 in getal. Op de IJsselmonde was het met 48 doden niet anders. Op oudjaarsdag 1764 komt hij in Batavia aan. Aan boord zijn 96 soldaten en een sergeant. Zij zullen in Azië achterblijven en de belangen van de VOC verdedigen.

Pieter verblijft een jaar in Indonesië waarna hij terug gaat naar Nederland. Hij monstert aan op de Schagen onder leiding van de zeer ervaren schipper Claas Arriens. De kapitale lading ter waarde van 820.000 Indische gulden bestaat voornamelijk uit textiel (zijde, guinees, salempuris, cassa, dourias, roemaals, armozijn, sjappa) en salpeter en is bestemd voor Hoorn en Enkhuizen. Het salpeter zal worden verwerkt tot buskruit. Op 17 januari 1766 vertrekken ze uit Bengalen en 92 dagen later bereiken ze de Kaap. Onderweg overlijden 'maar' vier man. Omdat de bezetting op schepen terug minder hoog is, breken er ook minder snel ziekten uit. De zwaksten zijn op de weg heen al overleden.

Bij aankomst in Texel op 4 augustus is Pieter ruim twee jaar weg geweest. Waarschijnlijk gaat hij direct bij huis langs met grootse verhalen. Amper na vier maand, op 1 december 1766, monstert Pieter opnieuw aan en neemt dit keer zijn broer Wilhelmus mee. Ze komen beiden op de Keukenhof terecht, onder leiding van de redelijk ervaren schipper George Jacob Meyer. Pieter is dan Konstabelsmaat, terwijl Wilhelmus onderaan de ladder begint als hooploper, een ongeoefend matroos. Financieel gaat Pieter er op achteruit. Verdiende hij als trompetter nog 15 gulden in de maand, nu maar 14 gulden. Dat is nog altijd het dubbele van wat zijn broer ontvangt met 7 gulden per maand.

De reis naar de Kaap en naar Batavia verloopt voorspoedig. Met 343 man totaal aan boord is het druk. Ideaal voor het uitbreken van ziektes. Toch zal deze reis 'maar' 18 man overlijden. De broers bereiken op 28 mei 1767 Batavia. Pieter wordt dan al snel ziek, want op 21 juli overlijdt hij. De oorzaak is onbekend, maar malaria is een mogelijkheid.

Wilhelmus is dan 20 jaar en moet alleen verder. Na ruim 1½ jaar, op 22 oktober 1768, keert hij met de Jerusalem onder aanvoering van de onervaren schipper Jan Karel Schacht terug naar Nederland. De reis naar Nederland duurt vrij lang, maar uiteindelijk komt hij op 3 juni 1769 aan in Goeree. Hij is dan 2½ jaar weggeweest en heeft 210 gulden verdient, omgerekend naar huidige maatstaven bijna 2.200 euro.

Op 1 oktober 1770 vertrekt Wilhelmus met de Pallas onder leiding van de ervaren schipper Klaas Roem. De reis is zwaar. Van de 360 bemanningsleden zullen er onderweg naar de Kaap 146 overlijden, maar liefst 40%. In dezelfde maand gelden percentages tot de Kaap: Huis Om (39%), Aschat (26%), Oud Haarlem (21%), Compagnies Welvaren (22%), 't Loo (14%), Vrouwe Geertruida (8%) en Rijnsburg (7%). Voor de Pallas en het Huis Om was het overlijdenspercentage erg hoog. Het verwondert niet dat voor alle genoemde schepen totaal 21 man op de Kaap al deserteert.

Lang blijft Wilhelmus niet in Batavia, want na drie maand keert hij met dezelfde schipper en het zelfde schip terug. Op 11 oktober 1771 vertekken ze uit Ceylon, het huidige Sri Lanka. Misschien is de lading niet goed gedocumenteerd, maar met 248.000 Hollandse gulden, lijkt ze niet erg kostbaar. Als bottelier verdient hij 20 gulden in de maand en zijn reis met de Palles heeft hem bij terugkomst op 30 mei 400 gulden opgeleverd.

Wilhelmus werkt zich verder omhoog. Op zijn volgende reis zal hij derdewaak zijn, één van de hoge officieren op het schip. Hij ontvangt dan 26 gulden in de maand. Dat komt goed uit, want in de paar maand thuis is hij getrouwd met Susanna Catharina Moor.

Onder Barend de la Main vertrekt Wilhelmus met de Jonge Thomas op 20 oktober 1772 vanaf de rede van Texel. Twee dagen later zal het schip ruim drie weken lang bij The Downs worden gezien. Wat het al die tijd daar deed is onbekend, waarschijnlijk herstel van averij. Op 15 november gaat het verder naar de Kaap waar ze 29 maart 1773 aankomen. Onderweg zijn 70 man overleden en bij aankomst worden 41 man ziek naar het hospitaal gebracht. Vanwege het gevaar van noordwester stormen werd vanaf 1742 de Tafelbaai verboden tussen 15 mei en 15 augustus. In die periode diende de Valsbaai te worden gebruikt. Waarschijnlijk had de Jonge Thomas opnieuw averij want twee maand later, op 1 juni ligt het nog steeds in de Tafelbaai. Schijnbaar was het niet mogelijk om naar de beschutte Valsbaai te zeilen. Door toenemende noorden wind kunnen de schepen Duyf en Brug, Aschat, Overhout, Snelheid en Jonge Thomas vanaf 30 mei niet uitvaren.

Op 1 juni is de storm gegroeid tot een hevige noordwester. De Jonge Thomas komt op een zandbank terecht en breekt in tweeën. Gouverneur Plettenberg zendt een peloton om de aanspoelende lading te bewaken, maar de opvarenden worden aan hun lot overgelaten. Wolraad Woltemade, oppasser in de compagnietuin, schiet te hulp. Met zijn paard rijdt hij keer op keer de zee in om drenkelingen te redden. Bij de achtste keer gaat het mis. Het vermoeide paard wordt door de last van te veel man zelf naar beneden getrokken. Wolraad en zijn paard hebben 14 man weten te redden, maar verliezen zelf het leven. Uiteindelijk hebben 53 man de ramp overleefd. Wilhelmus behoort niet daartoe.

Zoals wel vaker het geval wordt de daad van Wolraad miskent en als bemoeizucht gezien. Zijn zoon die om de vrijgevallen functie van zijn vader vraagt, wordt weggestuurd. Gelukkig komt de VOC op tijd tot inkeer en vernoemt als eerbetoon in 1774 een schip naar Wolraad. Vanuit Nederland wordt bevolen om voor het gezin te zorgen, maar de zoon is al naar Batavia vertrokken en daar reeds overleden.

Schipbreuk de Jonge Thomas (1775) door Nicolaas van Frankendaal (bron: rijksmuseum.nl) Schipbreuk van de Jonge Thomas in 1773. Op de voorgrond de helden Wolraad Woltemade en zijn paard. Tekening door Nicolaas van Frankendaal (Bron: Rijksmuseum.nl).

 

Paleis het Loo

1687, 1777

Derck Peters Collert en broers en zusters geven op 25 november 1687 toestemming voor de verkoop van twee schepel grond aan Willem Hendrick, prins van Oranje. De daadwerkelijke grondoverdracht vindt al plaats op 30 oktober 1685. De grond is gelegen bezijden het nieuwe huis ’t Loo. De eigendommen van de familie Collert liggen duidelijk in de directe omgeving van Het Loo. Zijn kleinkinderen, verkopen opnieuw 7 schepel in het Enkland op 12 oktober 1777 aan de Prins van Oranje en Nassau, erfstadhouder, kapitein en admiraal der Verenigde Nederlanden. De locatie van deze grondtransactie zou zijn gelegen nabij het koetshuis van het huidige Loo.

bron: Jonge, E. et all. 1993. De herengoederen op de Veluwe. Deel 4, blz 688, 689, 690.

Het Loo. Bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl Tekening van Het Loo met uiterst rechts, buiten Het Loo, de stallen en het koetshuis (Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

 

Wenskaarten

1912 - 1977

Januari 2012 ontvang ik van mijn oom een tas met oude ansichten. Bij de overhandiging nog de woorden "Of ik interesse heb, gezien mijn hobby genealogie. Zo niet, dan gaat het bij het oud papier." De eerste afbeeldingen leveren vreugdekreten, want het zijn kaarten van 50 tot 100 jaar oud. Totaal maar liefst 293 ansicht- en wenskaarten uit de periode 1912-1977 gericht aan de drie generaties families:

De kaarten zijn afkomstig van familie, vrienden en bekenden en door Hendrikje bewaard als herinnering. Opvallend aan de kaarten is de symboliek van de afbeeldingen en het taalgebruik op zowel voor- als achterkant van de kaart. Bij het uitzoeken van de kaarten stuit je op de hobby marcofilie, het verzamelen van poststempels. Hier blijkt een wereld achter schuil te gaan, die een genealoog extra informatie oplevert.

De verzameling kaarten telt veel nieuwjaarswensen. Bijzonder is dat destijds kaarten bezorgd werden op 1 januari, algemeen geldend als een zondag. De afzender moest een Andreaskruis over de brief of kaart trekken als hij de bestelling op nieuwjaarsdag moest plaats vinden. Deze mogelijkheid bestond van het begin 20e eeuw tot in de dertiger jaren.

>> Lees meer

Ansichtkaart met andreaskruis. Bezorging vindt plaats op 1 januari. Ansichtkaart met andreaskruis. Bezorging vindt plaats op 1 januari.

 

Watersnoodramp

1825

In de nacht van 4 op 5 februari breken op veel plaatsen in Nederland de dijken tijdens een noordwesterstorm. Meester Ter Pelkwijk doet hierover uitgebreid verslag bij de Gouverneur van Overijssel. Gedetailleerd beschrijft hij het menselijk drama gecombineerd met feiten ten aanzien van schade. Alle mensen in onze kwartierstaat die toen in 1825 leefden in Noordwest Overijssel gaat deze storm aan. Een enkeling wordt zelfs in het verslag van Ter Pelkwijk genoemd. Uitgebreid komen ook de waterstanden aan bod. Zo staat het water bij het Venerijterzijl 3,35 el boven AP. In herberg De Kroon te 's Heerenbroek is het water tot 1,49 el gerezen.

Op basis van huidig kaartmateriaal zijn de waterstanden ten opzichte van het maaiveld berekend. Onderstaande illustratie geeft voor de omgeving van Wilsum en Zalk de overstroming in blauwe kleuren weer. Alleen de gele gebieden zijn volgens de berekeningen dan niet overstroomd.

Stom toevallig kom ik er onlangs achter dat Meester Ter Pelkwijk aan mijn stamboom gelinkt kan worden. Dat maakt hem geen familie, maar leuk is het wel.

Watersnoodramp 1825 Overijssel

De slachtoffers van de watersnoodramp 1825.

De storm richt grote schade aan in het gehele kustgebied van Zeeland tot Groningen. Ook de gebieden gelegen aan de toemalige Zuiderzee hebben veel te lijden. Alleen al in Overijssel verdrinken 305 mensen. Daarnaast is er veel schade aan vee, huizen en opstallen: 16.226 stuks vee verdrinkt en 574 gebouwen spoelen weg. Daarnaast zijn er 2.284 beschadigde huizen en gebouwen. In mijn stamboom zijn de volgende mensen slachtoffer van de deze ramp:

  • Brunnepe: Egbert Aalts Prins (1771-1825), zijn vrouw Annigje Wichers van der Veen (1781-1825) en hun zoon Aalt (1808-1825). De lichamen worden een week later aan wal gebracht.
  • Brunnepe: Jan Jacobs Westera (1788-1825), zoon van Jacob Willems Westera. Het lichaam van Jan Jacobs spoelt later aan bij zijn broer Albert Jacobs.
  • IJsselmuiden: Steven Jans Roeten (1775-1825) en Margje (1807-1825), weduwnaar en dochter van Willempje Hendriks van Rechteren.
  • Genemuiden: Willemina Adolfs van der (Camp) Boer (1759-1825), weduwe van Dries Hendriks van Dijk, en haar nieuwe man Hendrik Willems Snijder (1763-1825). Het lichaam van Willemina wordt pas op 7 maart gevonden.
  • Kampereiland: Wichmondt Willems van Dijk (1782-1825) met vrouw, zes kinderen en een knecht. Zij pachten erf 82 van het Buitendijks. De boerderij zal tijdens de storm worden weggespoeld. Wichmondt is een kleinzoon van Adolf Claassen van der Camp
  • Kampereiland: Wibbegien Herms van der Kamp (1781-1825) met man en zes kinderen. Zij pachten erf 12 op de Kattenwaard. 'Het gezin en twee knechten trachtte zich op het dak van de woning te redden. Door de woedende golven sloeg het dak echter weg, zodat allen in het water terecht kwamen. Een zoon en een knecht wisten nog een boom te grijpen waar ze nog enkele uren het leven wisten te houden. Daar er geen redding kwam opdagen stierven zij van de kou. Slechts een knecht die op het dak van de hooiberg was gesprongen werd later levend gered'. Wibbegien is een kleindochter van Adolf Claassen van der Camp
  • Kampereiland: Bij Aaltje Jans van 't Oever spoelen twee schuren weg en raakt het achterste deel van huis zwaar beschadigd. Verder verliest zij 41 koeien en 2 paarden.
  • Kampereiland: Hendrik Heimeichs Kragt verliest 46 koeien en 6 varkens.
  • Kampereiland: Aaltien Gerrits Westera, haar man Hendrik Dries de Leeuw en hun kind van nauwelijks 1 jaar beleven angstige momenten. 'In Zevenhuizen werd Hendrik de Leeuw met zijne vrouw en zijn kind behouden, door dat de hooiberg, waarop zij gevlugt waren, tegen den dijk opstuwde en aldaar bleef zitten.'
  • Kampereiland: Bij Jan Willems Vos, zoon van Aaltje Aarts van der Weerd wordt een deel van de boerderij weggeslagen.
  • Kampereiland: Bij Aalt Jacobus Prins, zoon van Jacobus Aalts Prins wordt de boerderij gedeeltelijk weggeslagen en zij verliezen 40 koeien en 5 varkens.
  • Kampereiland: Bij Klaas Kragt, zoon van Stijntje Aalts Prins, wordt het huis grotendeels verwoest. Hij verliest 40 koeien en 5 varkens.

bron: Ter Pelkwijk, heruitgave 2002. Koopmans-Van der Werff, 2017.

Nog meer helden.

Onderstaande tekst is een samenvatting van een fragment uit Ter Pelkwijk 1825 (heruitgave 2002, blz 182).

... Gerrit van Keulen, herbergier in de Koelucht, hoort 's nachts van 4 op 5 februarij van verre het noodgeschrei van mensen. Daarop begeeft hij zich om 02:00 uur naar buurman Jan Jacobs van der Woude, waar ook Gijsbert Gerrits Hup al is. Hij stelt hun voor om met een schouw de drenkeling te redden. De drie mensenvrienden begeven zich in het vaartuig richting het hulpgeroep. Twee uur lang vechten zij tegen de woedende golven en moeten zich dikwijls aan bomen vastklampen. Uiteindelijk komen zij aan bij Reint van Houten, die krom gebogen in de top van een wilg zit.

Op de woningen van Gerrit Flips Ruitenberg en Jan Zonnenberg bespeuren ze noodvlaggen en horen meer jammerlijke noodgeschrei. Hierop laten ze zich eerst naar de woning van Ruitenberg afdrijven. Het huis is door de golven bijna geheel uiteengeslagen en instorting dreigt. De vijf bewoners zijn gevlucht naar de wrakkige zolder. Met gevaar voor eigen leven worden alle vijf gered. Om 05:00 uur bereiken ze de dijk en brengen de geredden onder bij herbergier Van Dijk.

Vervolgens besluiten de drie het gezin van Jan Zonnenberg te redden. Ook dit gezin bestaat uit vijf leden. Zij treffen het huis in een reddeloze toestand aan; de zijmuren liggen al plat. Deze mensen werden ondergebracht in de hooiberg van Van der Woude zelf. Alzo worden door de heren liefst elf mensen van een gewisse verdrinkingsdood gered.

Voor hun onbaatzuchtig heldenmoed ontvangen alle drie in augustus een medaille van de Maatschappij 'Tot Nut van 't Algemeen'. Bij verstek ontvangen zij hem pas in november 1825. Lang heeft Gerrit van zijn nieuwe status als held niet kunnen genieten. In augustus 1826 overlijdt Gerrit. Zijn vrouw Machteldje Horst hertrouwt in 1827 met Richard Everhard Burgemeister.

Het mag geen verwondering heten dat e zoon van Jan van der Woude huwt met de dochter van Gerrit van Keulen en Machteldje Horst.

Nederlandse Staatscourant, 28 november 1825 (bron: delpher.nl).

 

Zeevaarder?

1862

Martinus Burgemeister wordt in 1840 te Kamperveen geboren als laatste kind uit een gezin van dertien. In 1862 behaalt hij aan de Zeevaartschool in Veendam zijn studie Wis- en Zeevaartkunde en nieuwe talen met goede cijfers. Dit is gelijk ook het laatste wat wij over hem weten.

Verwacht mag worden dat hij is aangemonsterd op een schip in Veendam of Delfzijl eo. Deze schepen voeren vaak op de Oostzee met als retourvracht hout. Langs de kanalen in de veenkoloniën was veel hout nodig voor de bouw van schepen, huizen en bedrijven.

Mogelijk is Martinus na het behalen van zijn diploma juist naar huis terug gekeerd. Dan zou hij in Kampen op een schip hebben kunnen aanmonsteren.

diploma Martinus Burgemeister 1840 (bron: Veenkoloniaalmuseum Veendam) Het diploma uit 1862 van Martinus Burgemeister (Bron: Veenkoloniaalmuseum Veendam)

 

De noodlottige viskaar

1825

Waarschijnlijk is op maandag 6 juni kermis in de stad Kampen. Althans, dat denk ik ooit gehoord te hebben. Feit is dat een groep boerenknechten en meiden, na een avondje stappen in Kampen terug wil naar Kampereiland. Dat kan met het voetveer van Brunnepe naar Sevelingen over de IJssel of met het pontveer vanaf IJsselmuiden naar Sevelingen over het Regterdiep. De bronnen zijn hierover onduidelijk, maar waarschijnlijk gaat het hier om het voetveer. Als de groep aan de kade komt is de veerman juist aan de overkant. Een twintigtal wil niet wachten en 'vorderen' een nabij gelegen vissersschuit (voorzien van een viskaar). Met zoveel man aan boord is de schuit te zwaar beladen en om ongeveer elf uur 's avonds, halverwege de IJssel, springt de viskaar open. Het water gutst de boot in. De te hulp geschoten veerman weet drie man te redden. Direct daarna worden de lichamen van de overige drenkelingen opgevist. Onder de slachtoffers zijn:

  • Aalt Dries van Dijk. Zijn stoffelijk overschot is gebracht naar Hendrik Elst te Brunnepe. Waarschijnlijk was Aalt op weg naar zijn moeder op erf 32 van het Kampereiland.
  • Aaltien Aalts van Dijk, jongste dochter van Aalt Hendriks van Dijk. Haar lijk wordt gebracht bij haar gelijknamige stiefzus, Aaltjen Aalts van Dijk gehuwd met Albert Jacobs Westera te Brunnepe. In 1825 woont Aaltien in bij haar broer Willem Aalts van Dijk op erf 25.
  • Roelof Heimerig Kragt, zoon van Hendrik Heimerichs Kragt woonachtig op erf 48. Zijn lichaam is gebracht naar het Kampereiland.
  • Aart Hendriks Post (1803-1825), kleinzoon van Dries Hendriks van Dijk. Zijn lijk is gebracht bij Hendrik Elst te Brunnepe.
  • Jannes van Dijk (1807-1825), achterkleinzoon van Adolf Claassen van der Camp. Het lijk is overgebracht naar Oosterwolde ten huize van den vader. Jannes is knecht bij Arend van der Woude, erf 51.
  • Lubbert Jans Vos, kleinzoon van Aaltje Aarts van de Weerd (1799-1825). Zijn lijk is 'gebragt op het Eiland no 26'.

Bronnen: Trouw, R. & M. Trouw-van Dijk, 2009

Rotterdamsche Courant, 14 juni 1825 (bron: delpher.nl).

 

Familiedrama te Brunnepe

1918

Drie dagen na afloop van de Eerste Wereldoorlog (11 november 1918) stijgt op 14 november in Brussel een Duitse Taube op met bestemming Ludwighaven. Aan boord de vizefeldwebels Wolfgang Biermer, in het dagelijks leven student medicijnen, en Willy Freij, koopman. Beiden maken deel uit van het derde smaldeel vliegtuigen van de 17e Staffel. Door een navigatiefout vliegen ze niet oost-zuid-oost, maar noord-noord-oost (een fout van bijna 90º). Om 12:30 uur bereiken ze Kampen en moeten vanwege een brandstoflek landen op de Greente van Brunnepe.

De bronnen zijn onduidelijk over de reden, maar vliegenier Biermer is weer opgestegen tot een hoogte van 60 meter, maar moest direct weer landen. Biermer reed in op het inmiddels toegestroomde nieuwsgierige publiek. De propeller raakt veehouder Albert van Bruggen, kleinkind van Derk Gerrits van Bruggen, en zijn vrouw Aaltje van Werven. Beiden lopen een schedelbreuk op en zijn op slag dood. Hun beide kinderen zijn plots wees. Enkele nieuwsgierige leerlingen van de Wilhelminaschool worden ook getroffen. De tienjarige Grietje Kamman overlijdt aan haar verwondingen. Jennigje van Werven (17 jr), Willempje Westerhof (13 jr) en Anne Marie Boeve (10 jr) raken licht gewond.

De beide Duitse militairen moeten door politieman Lorier en toevallig aanwezige Nederlandse militairen worden beschermd tegen de woedende menigte.

bron: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 15 november 1918, Nieuwe Rotterdamche Courant 15 november 1918, Kamper Courant 16 november 1918

Grafsteen Willem van Bruggen en Aaltje van Werven

 

Familiedrama op de Ank

1940

Net voor de Duitse aanval op Nederland breekt weer een periode van strenge vorst aan. Op 3 maart in de ochtend proberen de kinderen Jan Lans en broer en zus Dirk Jan en Hermina van der Stouwe (10 en 9 jr) of het ijs op de Kleine Ank bij Zalk, al sterk genoeg is. Als zij zich verder het ijs op wagen zakken ze alle drie er doorheen. Het familiedrama wordt door alle Nederlandse kranten opgepikt en maken hiervan de volgende dag melding. Dirk Jan en Hermina zijn achterkleinkinderen van Jan van der Stouwe (1844).

Mina schiet direct onder het ijs en is al snel door de kou bevangen. De beide jongens komen weer boven water en schreeuwen om hulp. Peter Lans, oom van de kleine Jan, komt op het geroep af. Jan ligt vooraan in het water en wordt als eerste gered. Hierop gaat hij direct hulp halen. Toen Peter ook Dirk wou grijpen zakte hij door het ijs. Omdat Peter niet kan zwemmen was hij zelf dus ook in gevaar. De inmiddels gearriveerde hulp wisten oom Peter te redden, maar de kleine Dirk konden ze alleen bereiken met ladder en planken. Om Mina te bereiken moest eerst het ijs worden stuk geslagen. Doktoren uit Kampen hebben nog geprobeerd te reanimeren, maar het mocht niet meer baten.

bron: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 4 maart 1940. nb. In de verschillende kranten wordt gerommeld met de leeftijden van de kinderen.

Telegraaf, 8 maart 1940 (bron: delpher.nl)

 

Krantenbezorger doodgereden

1940

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, op zaterdag 24 augustus 1940, doet Gerrit van Bruggen zijn ronde in Katwijk aan Zee. Hij is weliswaar groentehandelaar, maar in de namiddag brengt hij kranten rond. Omstreeks 18:00 uur fietst hij door de Secretaris Varkevisserstraat als een achterop komende vrachtwagen hem aanrijdt. Gerrit is op slag dood. De chauffeur is na de aanrijding doorgereden. Voor onderzoek zijn ter plaatse aanwezig de burgemeester, de inspecteur van politie en dokter Cleveringa. bron: Leidsch Dagblad 26 augustus 1940

Binnen de familie gaat het verhaal dat Gerrit is aangereden door een Duitse (militaire) vrachtauto. In de archieven is hierover niets terug te vinden. Voor zover wij weten is de dader nooit gevonden.

De weduwe heeft het niet kunnen bolwerken, want in mei 1941 wordt de groentehandel in de krant te koop aangeboden. In september overlijdt zij op 66-jarige leeftijd aan 'maaglijden'. Uiteindelijk is de winkel door haar dochter overgenomen.

Leidsch Dagblad, 29 augustus 1940 (bron: delpher.nl)

 

Door de suikertrein gegrepen

1950

Wie de stad Groningen kent, weet dat er meerdere suikerfabrieken hebben gestaan. Het gaat hier om de voormalige Friesch-Groningsche Coöperatieve Beetwortelsuikerfabriek aan de huidige Peizerweg. Ten tijde van de fabriek loopt er een zogenaamd 'suikertreintje' voor het vervoer van de fabriek naar de loods. Op vrijdagmorgen 17 november gaat het mis. Martin Hoogendoorn, kleinkind van Aalbert Hoogendoorn, staat als hulprangeerder op de treeplank van de tweede wagon als hij om 8:45 uur er vanaf glijdt. De machinist hoort een gil en stopt direct, maar het leed is al geschied. Martin is onder de wielen terecht gekomen en op slag dood.

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 17 november 1950

Fies Groningse Beetwortelsuikerfabriek (Suikerunie)

 

Kleine stelen en Groten stelen

1722

Er is een oud gezegde: "Kleinen stelen en Groten stelen. Groten stelen het meest". De kleine dief Dirck Jansz Spilt ontsnapte aan de galg en werd veroordeeld tot geseling, brandmerking en verbanning. De dorpsschout Lammert Killewigh, die Spilt heeft gearresteerd en liet martelen, bleek later het dorp Huizen opgelicht te hebben voor enorme bedragen. Killewigh wist 's nachts met een deel van de buit te vluchten naar de vrijstad Vianen, waar het Hollandse gerecht geen bevoegdheid had.

>> Lees het hele verhaal op Gooiland.

 

Eind goed, al goed. Of toch niet?

1852, 1867

Gemeente Oldemarkt, 1867. Frederikus Hulst (1839-1887) geeft luidruchtig uiting aan zijn gemoed. De plaatselijke veldwachter maant hem in te binden en zich 'van de publieke straat te begeven'. Maar Frederikus geeft hieraan geen gehoor en de situatie loopt uit de hand. De veldwachter gaat over tot arrestatie en maakt daarbij gebruik van zijn sabel.

Opvallend is dat ook in 1867 het al mogelijk is om voor een commissie te protesteren tegen oneigenlijk gebruik van geweld door politie. Het Openbaar Ministerie eist een boete van 25 gulden voor moedwillige mishandeling. De regtbank vonnist dezelfde dag nog en veldwachter Everhard Elias Burgemeister wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 dagen.

Een klinkende overwinning voor Frederikus. Zou je zeggen. Maar Everhard Elias laat het hier niet bij en gaat in beroep bij het Provinciaal Hof van Overijssel. Met succes, want op 7 mei wordt zijn gevangenisstraf omgezet tot tien gulden geldboete. Gelijkertijd wordt Frederikus Hulst veroordeeld voor gewelddadig verzet tegen een 'ambtenaar der openbare magt'. Zijn straf: eene maand in eenzame opsluiting. Voorwaar geen kattepis voor een beetje duwen en sjorren met mijnheer agent. Het moet dus meer dan dat geweest zijn.
bron: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 11 maart 1867 en 8 mei 1867.

Dat het overigens niet altijd goed afloopt bewijst het volgende krantenbericht. De rijksambtenaar Casimir Fredrik van Guldener is een zoon van Anna Elizabeth Burgemeister en zo een neef van Everhard Elias Burgemeister. Het voorval speelt bijna 15 jaar eerder en Everhard Elias moet hiervan geweten hebben. Hij zal zich er van bewust geweest zijn dat zijn gedrag repercussies heeft. Overigens is een belastingambtenaar uit hoofde van zijn functie rechtlijniger in de leer dan een veldwachter.

Nieuwe Rotterdamsche Courant, 11 juli 1852 (bron: delpher.nl).

 

Moord en Brand

In archiefstukken en boeken kom je opmerkelijke dingen tegen over je familieleden. Dat varieert van geboorte, ruzies, straffen, bezit tot het overlijden. Wat betreft dit laatste springen de onderstaande drie er uit.

  • Op 23 juli 1633 overlijdt Adriaen Jansz Oom als gevolg van een dodelijke steek met verwondingen aan arm en hoofd, aldus een team van doctoren, de officier van Justitie en twee gemeenteraadsleden van Nieuwpoort.
  • Op 5 oktober 1727 wordt Lambert Goossens begraven. Hij had zich 'met sien eigen roer hem zelven doot geschoten'. Een roer is een lang geweer dat niet makkelijk onder de kin wordt gezet. Zelfmoord is daarom niet voor de hand liggend. Waarschijnlijker is een ongeluk bij het schoonmaken van het geweer.
  • In 1768 komt op 70 jarige leeftijd Harmina Swijnenbergh om bij een boerderijbrand. Twee van haar kleinkinderen zijn ook slachtoffer. Veldwachter Barink constateert dat er niets dan beenderen rest.

 

Zwagermoord in Vollenhove

1723

Lijsbeth Jans Smit is woonachtig in Vollenhove en weduwe van Antoni van Baak als zij huwt met Evert Pingel. Samen met haar tweede man is zij uitbater van herberg 'De Zwaan'. Op zaterdagavond 9 januari 1723 vindt hier 'de zwagermoord' plaats. Aanleiding en achtergrond zijn door Jos Mooijweer beschreven. Henk van Heerde heeft de tekst geheel overgenomen en voorzien van een mooi nawoord. Alleen daarom al de moeite waard om ook te lezen.

Hoewel de moord niet mijn familie aangaat, speelt Lijsbeth wel een bijrol in het verhaal. De reeds bestaande wrevel tussen Willem Bernars en zwager Dirk Annaeus ten Broeke ontvlamt op 9 januari in de herberg. Bij aanvang van de ruzie wordt Lijsbeth uit bed gehaald om Willems moeder te roepen. Bij terugkeer blijft Lijsbeth in de keuken achter en begeeft mevrouw Bernars zich naar de gelagkamer. Sussende woorden helpen nauwelijks en Evert Pingel scheidt beide partijen door de deur tussen de gelag- en voorkamer te sluiten. Terwijl hij de deur dicht doet, haalt Willem met zijn degen uit naar zijn zwager. Dirk overlijdt ter plekke. Lijsbeth snelt nog naar het wachtgebouw verderop, maar hulp mocht niet meer baten.

Uitzending RTV OOST over de zwagermoord in Vollenhove. Link:http://tvarchief.rtvoost.nl/hi/88033.mp4 OF http://video.rtvoost.nl/hi/231254.mp4 Link naar Moord & Brand van RTV Oost over de zwagermoord. Op de achtergrond, achter de tap, Evert en Lijsbeth, gespeeld door acteurs. Het nagespeelde verhaal is niet geheel conform het verhaal van Mooij-weer, maar het blijft leuk.

 

Noodlottig ongeval of moord?

1882

Doortje Selles, achter-achterkleinkind van Peter Selles, is 17 jaar en dienstbode. Op donderdag 19 oktober 1882 maakt zij de kamer schoon van gymnasiumleerling H.J. Plots klinkt een schot. Doortje wordt in de slaap getroffen en is op slag dood. Het wapen was van Amerikaanse makelij en de kogels waren onlangs gekocht bij geweermaker Witte in Zwolle. Het heeft vier dagen lang geladen op een boekenplank gelegen. Wie is de dader en wat is het motief? Naast eerder genoemde H.J. is ook huisgenote A. van Andel in beeld. Aanleiding voor de zoektocht is dit korte krantenbericht.

Het Nieuws van den Dag, 21 oktober 1882 (bron: delpher.nl)

Voor de rechtbank in Almelo houdt H.J. zijn onschuld vol. Succesvol want volgens het arrest van 13 februari 1883 kan hij niet verantwoordelijk worden gehouden voor doodslag 'omdat bewezen feiten geen misdaad, overtreding of wanbedrijf opleveren. Moord is niet aan de orde, omdat H.J. niets met de dood van Doortje te maken heeft, anders dan dat het wapen zijn eigendom is. Hij heeft het weliswaar laten slingeren, maar dat was geen misdaad. Het Openbaar Ministerie gaat in beroep, dat op dinsdag 3 april dient. Het OM is van mening dat wel sprake is van wanbedrijf, want H.J. wordt onvoorzichtigheid en achteloosheid verweten door willens en wetens een geladen revolver achter te laten. Op 10 april doet Het hof uitspraak en veroordeelt H.J. conform de strafeis tot 100 gulden boete of 7 dagen gevangenisstraf.

Waarschijnlijk heeft het OM afgezien van vervolging van huisgenote en naaister Van Andel. Weliswaar heeft zij de trekker overgehaald, maar zij was door Doortje zelf gevraagd het wapen te verplaatsen opdat Doortje kon schoonmaken. Doortje durfde 'uit vrees voor zulk een moordtuig' het niet vast te houden. Van Andel veronderstelde dat de revolver ongeladen was, omdat H.J. dit meermalen tegen haar had verklaard. Het wapen is per ongeluk afgegaan.

Wat er werkelijk aan de hand is kunt u in dit krantenbericht lezen.

Nieuwsgierig naar H.J. heb ik op OpenArch.nl gezocht met de volgende. Er van uit gaande dat het een man is, en is geboren tussen 1859-1867. Als gymnasium leerling is hij in 1882 dan 15 tot 23 jaar geweest. Ook ga ik er van uit dat H.J. zijn diploma haalt en en dit is terug te zien aan zijn beroep. Er komen nu drie kandidaten naar voren. Van geen van hen is bekend of zij betrokken waren bij bovenstaand drama.

  • Hendrik Jan Carsten geboren 18 oktober 1862 te Huizen. Volgens zijn huwelijksacte wordt hij later notaris.
  • Henri Jacques Couvee, geboren 9 februari 1867 te Leiden. In het militieregister van 1887 staat hij geregistreerd als gymnasiast en wonende te Leiden.
  • Hendrik Jan de Cock 29 juni 1860 te Kampen. Zijn vader is leeraar aan de Theologische school aldaar. Zijn initialen zjn weliswaar H.J. de C.

 

Eene gruwelijke moord

1872

Op 29 november doet Jannes Martens, veldwachter te Heerde, aangifte van het overlijden van Elbertje Beekman. Geruchten doen de ronde als dat haar eigen man haar heeft vermoord. Het verbaast niemand, want het was algemeen bekend dat het paar met elkaar in onmin leefde. En zo wordt Heerde tien jaar na de geruchtmakende moord op Oswald Tulleken opnieuw opgeschrikt door een gruwelijke moord.

Elbert Beekman, de man van Elbertje, ontkent alle betrokkenheid. Volgens Elbert kwam hij op de 28e in de schemering tussen 17:00 en 18:00 uur met kar en paard thuis. Als hij zijn vrouw op de keukenvloer met afgesneden hals aantreft, zet hij haar nog rechtop tegen de deurpost, maar ze is al dood. De keuken staat vol rook vanwege brand. Bij het binnentreden van de kamer merkt hij dat bankpapier en zilver uit het kabinet is gestolen. Inmiddels komen buren af op zijn hulpgeroep. Nadat het lijk naar buiten is gesleept is de brand snel geblust. Toch wordt Elbert gearresteerd en naar het huis van verzekering in Arnhem overgebracht voor ondervraging. Men vermoedt dat de diefstal gefingeerd is en dat 'de brandstichting was aangewend tot bedekking van de dubbele misdaad'.

Elbert en Elbertje zijn op 13 april 1867 te Heerde in het huwelijk getreden als neef en nicht. Het huwelijk blijft kinderloos. Beiden zijn nazaten van Rens Arent Hoekert en verre familie van Jannetje Mulder. Rens is familie van Abraham Hoekert, maar de relatie is nog onduidelijk.

Elbert is een groot fors man met een hoogrode gelaatskleur en bruin haar. Hij is linkshandig. Zijn karakter wordt omschreven als nijdig, driftig en norsch. Na lezing van de stukken kan je daar leugenaar aan toevoegen. Om zijn slecht overdachte daden te bedekken verandert hij zijn verhaal een paar keer. De moord en de brand blijft hij steevast ontkennen. Maar van de zogenaamde diefstal moet hij erkennen dat hij hierin zelf de hand had. Overigens geeft hij geen eenduidige verklaring voor zijn handelen, anders dan dat hij uit de nalatenschap zijn inbreng in het huwelijk wilde veilig stellen.

Bij de behandeling van de zaak op 10 maart 1873 bij het Provinciaal Gerechtshof te Arnhem wordt Elbert beschuldigd van moord en van brandstichting 'in zijne (maar) aan een ander toebehorende woning'. De eis: levenslange tuchthuisstraf en betaling van de kosten. Een indrukwekkende lijst van 41 getuigen is gedagvaard, hiertoe behoren onder andere Lammert Vorstelman, nazaat van Drees Jacobs Vorstelman, en Jan van Leeuwen en Sebus van der Beek, beiden nazaten van Henricus van der Beek.

Uiteindelijk wordt Elbert in maart alleen veroordeeld voor de moord op zijn vrouw. Zijn straf is 20 jaar gevangenis. In Hoger beroep wordt het arrest door de Hoogen Raad in juni vernietigd en het proces moet bij het Provinciaal Gerechtshof te Overijssel worden overgedaan. Tijdens het nieuwe proces in september blijft Elbert halsstarrig ontkennen. Opnieuw wordt hij tot 20 jaar gevangenis veroordeeld. Ook deze keer gaat Elbert in cassatie, maar op 24 november bevestigd de Hoge Raad het arrest en wordt hij definitief veroordeeld. Elbert zit zijn straf uit in de gevangenis in Leeuwarden. Op 1 december 1873 wordt hij bij de burgerlijke stand aldaar ingeschreven.

Arhemsche Courant, 10 maart 1873 (bron: delpher.nl)

Verzekeringsfraude

In de marge van deze moord, vindt ook nog verzekeringsfraude plaats.

'Het huis, door den beschuldigde te Hoorn bewoond, hoorde op den dag van de moord in eigendom toe aan de erven van de weduwe IJzerman, die tot haren dood toe er eene kamer in gebruik had. Hij (Elbert, red) zoude het in februarij deze jaars verlaten en dan gaan betrekken een huis in de buurtschap Hoorn, in de maand juli 1872 door hem voor f 3.590 gekocht.'.

Na het overlijden van hun moeder op 3 mei 1872 was door de erven IJzerman de huur opgezegd en Elbert had in juli een woning gekocht. Daar zou hij in februari 1873 gaan wonen.

De boerderij van IJzerman had brandschade, maar was nog bewoonbaar. Op 19 januari 1873 brand de leegstaande boerderij volledig af. Elbert is hieraan onschuldig, want hij zit dan in voorarrest in Arnhem. Bij onderzoek wordt brandstichting vermoed. 'Kort tevoren hadden ... de gebroeders IJzerman, de som waarvoor het (de woning, red) tegen brandschade was geassureerd van f 1.100 verhoogd tot f 2.800, terwijl één hunner op den avond van den brand in de nabijheid van het perceel is gezien'. De afloop van het onderzoek naar deze brand heb ik niet kunnen vinden.

bron: Arnhemsche courant 21 januari 1873 en 10 maart 1873

 

Graven

De dood wordt in verschillende culturen op een verschillende wijze benaderd. Vroeger bestonden er vele rituelen en symbolen rond de dood. Deze symbolen drukken gevoelens uit en zeggen iets over de overledene. Op begraafplaatsen vind je de symboliek terug op de grafmonumenten en in de plantkeuze. Enkele voorbeelden van symbolen aangetroffen op de door mij gefotografeerde grafstenen

  • Afgesneden tak. Dit symboliseert de sterfelijkheid.
  • Olijftak. Staat symbool voor vrede, maar ook voor vroomheid, wijsheid, gerechtigdheid, vergiffenis, verzoening en overvloed
  • Palmtak. Symboliseert de overwinning (op de dood).
  • Treurwilg. De hangende takken en bladeren symboliseren rouw, verdriet en overgave.

>> Lees meer

zerk

 

Francis Selles. Een Schot of toch niet?

1655

Op 23 juni arriveert in Kampen een compagnie soldaten uit Bergen op Zoom. Zij blijven slechts kort want na vier maanden, op 1 november 1655, vertrekken ze al weer naar Heusden. De compagnie staat onder bevel van kolonel Kirckpatrick, een man met een gerespecteerde reputatie. De Schot John Kirckpatrick werd in 1631 kapitein, in 1638 sergeant-majoor, in 1639 luitenant-kolonel en nog in hetzelfde jaar kolonel. Hij onderhoudt goede contacten met prins Frederik Hendrik.

In de jaren rond 1655 maakt de Republiek een glorieperiode mee. De Tachtigjarige oorlog (1568-1648) is definitief voorbij, Nederland heerst over de wereldzeeën, de Gouden Eeuw (1609-1700) beleeft zijn hoogtijdagen en problemen met de bisschop van Munster (1663), met Engeland (1665-1667) en Frankrijk (1672-1679) zijn nog niet aan de orde.

Onder dit gesternte wordt Kampen aangedaan. Onder hen ook soldaat Francis Cels. Getuige een monsterrol van 12 juli 1655 verblijft Francis 15 weken in het ziekenhuis. Omdat je met genoemde datum en tijdsduur in de knoei komt, wordt waarschijnlijk 15 dagen bedoeld. Francis is dan direct na aankomst ziek geworden. Inkwartiering vindt plaats bij Jan Claesen. Destijds waren er geen kazernes en soldaten werden ondergebracht bij burgers. Al snel moet Francis de 16-jarige Ariaentjen Jelis hebben leren kennen, want drie-en-halve maand na aankomst gaat het stel op 7 september in ondertrouw. Ariaentjen is dan ruim twee maanden zwanger. Op 19 maart in het jaar daarop, wordt hun zoon Peter gedoopt. Inmiddels is de compagnie al weer vertrokken met achterlating van Francis. In de daarop volgende jaren worden in Kampen nog acht kinderen geboren.

Schotland

Onze zoektocht naar de ouders van Francis stopt hier. Gezien het feit dat Kirckpatrick een schots regiment aanvoert, veronderstellen we dat de voorouders van Francis in Schotland gezocht moeten worden. Aan de andere kant zullen verliezen in het regiment niet uitsluitend worden aangevuld met schotten. Waarom niet ook met protestanten uit zuidelijke streken, België, Frankrijk en misschien zelfs Spanje?

Spanje of Frankrijk

Google je de naam Selles, dan zie je dat dit in Spanje een gebruikelijke topografische en familiaire naam is. Zo werd Jean de Noircarmes de Sainte-Aldegonde, Baron van Selles eind 1557 luitenant van de schutters van de koninklijke wacht van Filips II. Vanaf 1574 vraagt deze Baron van Selles herhaaldelijk aan Filips om naar de Nederlanden te worden uitgezonden. In 1577 krijgt hij toestemming. Onze Francis zal niet afstammen van deze baron, alleen al omdat deze laatste vervent katholiek was. Maar het is wel een aanwijzing dat Spanje tot de mogelijkheden behoort.

Duitsland

Francis krijgt negen kinderen waarvan alleen Peter en Roelofje volwassen worden. Zoon Peter huwt in 1655 met Jannigje Mensinck, geboren te Ulsen. Wij hebben altijd veronderstelt dat Uelsen in het Graafschap Bentheim werd bedoeld. Maar in 2019 komen we tot de ontdekking dat de plaatsen Uelzen en Celle (oostelijk van de lijn Hamburg-Hanover) op slechts 50 kilometer afstand van elkaar zijn gelegen. Vader Francis was soldaat en destijds bestond het leger uit huurlingen die van heinde en verre kwamen. Is het mogelijk dat hij uit Celle kwam naar het rijke Nederand tijdens de Gouden eeuw? Als hij contact blijft houden met familie in Celle kan het verklaren dat zijn zoon een vrouw uit Uelzen trouwt.

 

De Belgische opstand

1830

Na Napoleon wil Engeland geen Franse verrassingen meer. Er moet een buffer tussen beide landen komen door de noordelijke en zuidelijke Nederlanden te verenigen tot één Koninkrijk. Maar beide delen zijn te ver uit elkaar gegroeid door:

  • De Tachtigjarige oorlog. Het katholieke zuiden versus het protestantse noorden. Een scheiding die nog altijd speelt.
  • De Gouden eeuw. Een periode waarbij het noorden als republiek een enorme rijkdom vergaarde, terwijl het arme zuiden onderdeel was van het Habsburgse Rijk.
  • De Franse bezetting. Het zuiden werd door Keizer Napoleon bezet en onderdeel van Frankrijk gemaakt. Het noorden werd een vazal-staat met de broer van Napoleon als Koning.

In augustus 1830 ontstonden de eerste onlusten en op 4 oktober verklaarde België zich onafhankelijk. 'Op vijf oktober deed Koning Willem I een oproep tot algemene wapening. De provinciale commandanten kregen opdracht om 18 afdelingen infanterie samen te stellen. Zij probeerden vrijwilligers te ronselen welke, hetzij onder genot van soldij, hetzij op eigen kosten, de opstandige Belgen een lesje moesten leren.' Nederland lijdt echter een militaire en politieke nederlaag.

Koning Willem I probeert in 1831 met wat bekend staat als de Tiendaagse veldtocht, een betere onderhandelingspositie te verkrijgen. Militair gezien een klinkende overwinning, maar België zal zich alsnog afscheiden. Koning Willem I legt zich pas in 1839 hierbij neer. In de tussenliggende jaren blijft het Nederlandse leger aan de zuidgrens paraat.

bron: Terugkeer van de schutters

Cornelis Tisper

Op 9 februari 1891 overlijdt Cornelis Tisper, zoon van Pieter Karel Tisper, drager van het Metalen Kruis. Deze onderscheiding is aan elke strijder van de Tiendaagse Veldtocht van 2 tot 12 augustus 1831 uitgereikt. Niet vanwege heldenmoed, maar simpelweg omdat hij er bij was. Cornelis zal er niet minder trots op geweest zijn. De veteranen hebben de gehele 19e eeuw herdenkingsmarsen georganiseerd. Wij hebben nog niet kunnen achterhalen bij welk korps Cornelis Tisper was ingedeeld.

Berend Ruitenberg

Korporaal Berend Ruitenberg, geboren 29 januari 1801 te Zalk en zoon van Matje Jans van 't Oever, overlijdt 28 februari 1832 in het hospitaal van Hulst aan zenuwzinkingskoorts. Via de Mobiele Schutterij van Overijssel is hij ingedeeld bij de 1e afdeling, 2e Bataljon, 4e Compagnie. In de overlijdensacte staat 'diende voor zichzelven', waaruit wij afleiden dat hij vrijwilliger was.

Zenuwzinkingskoorts staat gelijk aan buiktyfus, een darminfectie door een Salmonella-bacterie. De ziekte wordt onder slechte hygiënische omstandigheden overgedragen. Na de Tiendaagse veldtocht zullen meer soldaten aan buiktufys, rode loop en malaria overlijden, dan als gevolg van strijdhandelingen.

Garrit Jan Nagelvoort

Garrit Jan Nagelvoort, geboren 13 februari 1807 te Zutphen is een achterkleinkind van Egbert Jans Teerink. Garrit Jan overlijdt 20 april 1832 te Bergen op Zoom. In de overlijdensacte staat dat hij flankeur is bij 7e Afdeling Infanterie. Deze Afdeling is in augustus 1831 betrokken geweest bij de bezetting van de Citadel in Antwerpen en zat daar in december 1832 nog. Bij de nadering van de Fransen in december werden alle zieken overgebracht naar het hospitaal in Bergen op Zoom.

Wij veronderstellen dat Garrit Jan enige tijd in Antwerpen heeft verbleven en in april 1832 wegens ziekte al is overgebracht naar het hospitaal in Bergen op Zoom.

Hendrik Jan van Dijk

Op 17 juli 1833 gaat in opdracht van de Koning een bevel uit voor de verdediging van Terneuzen. Daar en in de omgevende steden zullen veel militairen gelegerd zijn geweest. Zo ook in Axel.

Hendrik Jan van Dijk, zoon van Jan Aalts van Dijk, is schutter bij de 4e Compagnie, 1e Bataljon, 1e Afdeling van de Overijsselsche Schutterij en als Compagnie uitgezonden naar Zeeuws Vlaanderen. Afgezien van enkele schermutselingen was het leven waarschijnlijk saai en bestond het uit eindeloos wachtlopen, marcheren, enzovoort. De leefomstandigheden in de kazerne zijn, met veel man op elkaar gepakt, niet optimaal. De hygiëne lijdt er onder. Hendrik Jan overlijdt op 23 augustus 1833 in het Militair Zieken-etablissement te Axel, aan de gevolgen van galrotkoorts.

Galrotkoorts, ofwel rode loop 'is een uiterst besmettelijke ingewandsziekte, die ontaardt in een niet te stoppen diarree, waardoor het lichaam aan koortsen en uitdroging ten onder gaat. De besmetting wordt, in tegenstelling tot veel andere ziekten, overgedragen door een amoebe en géén bacterie. De besmettingshaarden zullen in de eerste plaats de latrines (poepdozen) zijn geweest'.

bron: historiek.net, historiek.net, tabulabatavorum

 

Erfgooier

1580

Erfgooiers zijn boeren in het Gooi die gezamenlijk gebruiksrechten hadden op de gemeenschappelijke gronden. De boerderijen en rechten over­erfden van vader op zoon.

In 968 stichte Wichman van Hamaland een jufferenstift (vrouwenklooster) in Hoog-Elten, nabij 's Heerenberg. Zijn goederen en gebruiksrechten op gronden schonk hij aan dit stift. Hiertoe behoorde ook het Gooi. Boeren betaalden belasting in natura aan het klooster. In ruil kregen ze het recht om de collectieve gronden als weilanden, heidevelden, venen, bossen en jachtvelden te gebruiken.

De boeren beschermden hun rechten tegen vreemden met schaar- en bosbrieven. Zo mochten alleen mensen die geboren waren in het Gooi en de rechten van hun vader hadden geërfd gebruik maken van de gronden. Hier is de naam 'erfgooier' van afgeleid. Steeds één mannelijke telg uit één familie erfde het volledige gebruiksrecht. Dit leidde tot een onderscheid in scharende en niet-scharende erfgooiers. Niet-scharende erfgooiers bleven in theorie gerechtigd, maar hadden hier in de praktijk niets aan.

De ruzie tussen erfgooiers en mensen van buiten eindigde in 1708 voor de rechtbank. Omdat niet duidelijk was wie partij was als erfgooier en waar de gemeenschappelijke gronden lagen, droeg de rechtbank op om hierover duidelijkheid te geven. Zo werd in 1708 voor het eerst een officiële lijst opgesteld met in 1709 een bijbehorende kaart. Op de lijst staan enkele van mijn voorouders en verwanten.

Kaart van het Goylandt 1723 door Maurits Walraven De kaart van het Goylandt 1723 (Maurits Walraven) is vrijwel identiek aan de kaart van 1709.

 

Gerrit Jacobsz Schaap en zijn twee vrouwen

1713

Jannetje Pieters van Oostveen vraagt zich vertwijfelt af of ze nu wel moet trouwen. Blijft Gerrit haar trouw? Zal hij haar blijvend onderhouden? De familie is verdeeld. Vader is rationeel en vindt Gerrit een goede partij met geld, een opleiding en goede vooruitzichten. Moeder daarentegen is boos en maakt zich zorgen om de familienaam. Gerrit heeft namelijk vlak voor het huwelijk nog het bed met een andere vrouw gedeeld. De geschetste gedachten en emoties zijn verzonnen, maar zullen zeker bij Jannetje en haar familie gespeeld hebben. Waarom Jannetje in april toch in het huwelijk treedt met Gerrit blijft onduidelijk.

Onder de titel 'Judik Jans, verleid of verkracht?' in Oude sporen (2001, p33-39), een mooi verhaal over Gerrit Jacobsz Schaap (1692-1721).

Judik beweert dat zij en Gerrit eind 1712/begin 1713 het bed deelden en zij nu zwanger is. Terwijl Gerrit in maart 1713 zijn huwelijk aankondigt met Jannetje van Oostveen. De strijd die ontstaat moet u zelf lezen, maar uiteindelijk neemt Gerrit zijn verantwoordelijkheid en voorziet in het onderhoud van zijn buitenechtelijke dochter Jannetje Gerrits (gedoopt 24 september 1713). Roest roemt Gerrit voor zijn daad en Judik voor de strijd voor haar kind. Dat laatste was niet gebruikelijk in een tijd dat de vrouw een ondergeschikte rol speelde.

In het verhaal wordt Gerrit Schaap zowel monseigneur als meester (in de rechten) genoemd. Waarschijnlijk is alleen het eerste waar en moet de afkorting mr. zo worden geïnterpreteerd. Het maakt het verhaal niet minder, want ook een theoloog had beter moeten weten.

>> Lees het hele verhaal in Oude sporen

 

Een heks in de familie?

1591

Bijgeloof vierde vroeger hoogtij en er was waarschijnlijk maar weinig voor nodig om anderen te beschuldigen van hekserij. Het overkwam ook Peterke ter Becke uit Hasselt, Overijssel. Zoals vaak in dit soort gevallen is het bewijs erg dun. Westerhof en Mooijweer (1996) schrijven:'Het stadsbestuur onderzoekt de geruchten omdat ze zich niet verdragen met het ware geloof'. Verschillende mensen worden in 1591 opgeroepen om te getuigen.

  • 'Peterke ging op kraamvisite bij de vrouw van Johan Cleys, die na de geboorte van een kind ziek in de bedstede lag. Peterke boog zich over de wieg en lispelde 'wat een mooi kind is dit'. De opmerking klonk omstanders vreemd in de oren, want het kind was misvormd. Enkele dagen later was het kind ziek geworden en overleden. Men hield Peterke hiervoor verantwoordelijk; zij zou de zuigeling met haar boze oog hebben betoverd.'
    In de zestiende eeuw was kindersterfte groot, onder zuigelingen nog groter. De kans dat een misvormd (gehandicapt) kind de puberleeftijd haalt, was klein. Het volk heeft hier geen oog voor en is op zoek naar een zondebok.
  • Het verhaal over Maria, de vrouw van Willem Wever, kent verschillende versies. Eén luidt als volgt. 'Peterke had de zieke Maria gebraden vlees te eten gegeven. Onderweg naar huis voelde Maria zich niet goed worden en moest ze overgeven. Een inwoner kwam met een pot toegesneld om het braaksel op te vangen. Toen deze de pot thuis wilde legen, ontwaarde hij daarin verschillende voorwerpen zoals kluwens, haken en haarspelden.'
    Het voorbeeld doet eerder denken aan poging tot moord, dan aan hekserij.

Ondanks het gebrekkige bewijs zijn verhalen hardnekkig. Eerder onderzoek naar de praktijken van Peterke in 1572 had niets opgeleverd. Waaraan had Peterke de beschudiging deze keer te danken? De schrijvers denken aan de ruzie over de nog onverdeelde erfenis van de weduwe Alijd Meuwes, de moeder van Peterke. Kinderen uit het eerste en tweede huwelijk van Alijd ruzieën over de goederen. Het komt soms tot een handgemeen en meerdere gerechtelijke uitspraken zijn nodig. Een veroordeling van Peterke tot hekserij zou het andere deel van de familie goed uitkomen. Waarschijnlijk is het gerucht daarom nieuw leven ingeblazen.

Bron: Westerhof en Mooijweer, 1996

 

Het poppenhuis van Sara

1743

Vanaf 1743 stelt Sara Rothé twee poppenhuizen samen uit drie oude. Het poppenhuis is destijds geen kinderspeelgoed, maar een pronkstuk van rijke vrouwen. Een poppenhuis stelde het ideale huishouden voor. Dat we er niets van weten is omdat er nog maar weinig van over zijn.

Beide poppenhuizen van Sara zijn bewaard gebleven. Eén er is te bewonderen in het Frans Hals Museum te Haarlem. Sara hield in een boekje nauwkeurig bij wat zij wijzigde of toevoegde en wat de kosten er van waren. Een uniek inkijkje in haar hobby. Beide huizen worden geroemd om de grote verfijning van de miniatuurobjecten die bijna allemaal in originele materialen zijn uitgevoerd.

Bron: Van Royen-Engelberts, 2011

Sara Rothé Familieportret van Sara Rothé (r) en Jacobus Ploos van Amstel (m)

Van Sara Rothé en haar man Jacob Ploos van Amstel, kind van Jacobus Ploos (van Amstel), bestaat bovenstaand familieportret. Sara is de vrouw rechts. De bronnen spreken elkaar tegen wie de vrouw links is. Het is haar moeder (overl. 1738) of haar schoonmoeder (overl. 1734). Sara is geboren in 1699 en huwt in 1721. Het schilderij is gemaakt ergens tussen 1721 en 1738 als Sara 22 tot 39 jaar oud is. Waarschijnlijk is zij nog jong op het schilderij.

Overigens komt Sara op dramatische wijze om het leven. Onderweg van Halfweg naar haar buitenplaats Klein Berkenrode slaan de paarden op hol en belandt de koets in de trekvaart. Haar man en twee nichtjes worden gered, maar Sara komt om het leven.

Bronnen: Huygens ING, Wikipedia

 

Dienen in Nederlands Indië

1816

Veel weten we niet over Willem Otto, kind van Dirck Christiaan Borgemeestre. Feit is dat hij zijn hele leven heeft gewoond in het voormalig Indië. Hij treedt in 1792 in militaire dienst als hij 17 jaar oud is en wordt na een korte opleiding bombardier (artillerist). De Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) voert dan nog de scepter over de kolonie, maar in 1800 treedt de Nederlandse staat, als Bataafse Republiek, in zijn plaats. Vanuit Nederland is door het opkomend patriotisme en de bemoeienis van Napoleon al snel geen belangstelling meer voor de kolonie. Engeland ziet zijn kans schoon om de macht in Azië uit te breiden.

In deze snel veranderende periode klimt Willem Otto bij de genie op van 1e luitenant (1797), kapitein (1804) tot luitenant-kolonel (1809). Naar huidige maatstaven wordt hij in 1816 gedegradeerd tot majoor bij het nieuwe Bataljon Pioniers.

Op 28 augustus 1811 wordt Willem Otto krijgsgevangen gemaakt door de Engelsen. De datum suggereert dat hij zich toen op Java bevond. Op de ochtend van de 28e vallen de Engelsen de vesting Meester Cornelis aan en weten die binnen enkele uren te veroveren. Van 1811 tot 1815 heersen de Britten over Indië, waarna in 1815 de macht wordt overgedragen aan het weer zelfstandige Nederland.

Het relatief nieuwe gezag in Nederland bouwt in allerijl het leger op. Maar vanuit Nederland wordt slechts een handvol hoge officieren in de kolonie benoemd. In Indië proberen ze dit aantal uit te breiden met oudgedienden, waarbij Willem Otto zich moet schikken in een lagere rang. Op 31 augustus 1816 worden Borgemeestre en Pieter Beetjes tot majoor benoemd. Beiden zijn zogenaamd 'halfblanken' en worden mogelijk in hun benoeming daarom gepasseerd.

Bekend is dat Beetjes in 1817 opdracht kreeg om de opstand te onderdukken op Saparoea, een eiland nabij de Molukken. Hierbij wordt Beetjes gedood. Overigens had Beetjes de opstand zelf veroorzaakt. Borgemeestre houdt zich in april 1818 bezig met het opmeten van de Tjiliwoeng-rivier bij Meester Cornelis in Batavia. Een schijnbaar ongevaarlijke opdracht. Maar gezien het heersende sentiment tegen de Nederlandse overheersers zal het werk buiten het fort niet zonder gevaar geweest zijn. Begin 1823 gaat Willem Otto met pensioen, maar overlijdt al acht maand later, 48 jaar oud.

Deze Willem Otto moet niet verward worden met zijn neef en naamgenoot. De neef wordt in 1859 door een woedende menigte gedood nadat hij op Celebes, het huidige Sulawesi, het huis van één der regenten in brand stak en op de vlucht sloeg.

bron: Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië, 1911, Inventaris van de verzameling buitenlandse kaarten Leupe, supplement. Nationaal Archief., H. Burgers. 2010.